Uitspraak
[verzoeker] ,
€ 680,00+
€ 7.255,00 (zevenduizend tweehonderdvijfenvijftig euro).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker was twee keer in voorarrest genomen in verband met de verdenking van een ernstig levensdelict; de eerste periode betrof 11 dagen in 2013, de tweede periode 35 dagen in 2021. Na een onherroepelijk arrest waarbij geen straf werd opgelegd, verzocht verzoeker om vergoeding van immateriële schade en kosten.
Het hof heeft vastgesteld dat verzoeker geen beperkingen in het voorarrest heeft ondervonden en dat de standaard forfaitaire vergoeding niet volledig recht doet aan de impact van het tweede voorarrest. Verzoeker vroeg om een verhoging met factor 3, onder verwijzing naar de ernst van de verdenking, de hernieuwde aanhouding na jaren, de aanwezigheid van zijn minderjarige zoon bij de aanhouding en het non-actief worden door zijn werkgever.
De advocaat-generaal stelde dat alleen de gebruikelijke vergoeding toekwam, omdat de gevolgen van de verdenking zelf niet tot een hogere vergoeding leiden. Het hof oordeelde echter dat billijkheid een hogere vergoeding rechtvaardigt voor de tweede periode, met een factor 1,5, gezien de versterkte negatieve impact van het herhaalde voorarrest.
De vergoeding werd vastgesteld op € 7.255,00 inclusief kosten, waarbij de dagen in politiecel en huis van bewaring tegen de gebruikelijke dagtarieven werden vermenigvuldigd met de factor 1,5 voor de tweede periode. Het verzoek om een hogere factor werd afgewezen. Het hof beveelt betaling van dit bedrag aan verzoekers advocaat.
Uitkomst: Het hof kent verzoeker een immateriële schadevergoeding van €7.255 toe, inclusief kosten, met een factor 1,5 verhoging voor het tweede voorarrest.