De betrokkene werd een sanctie van €350 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 12 december 2022 op de Beneluxweg in Groningen. De kantonrechter matigde dit bedrag met 25 procent tot €262,50 vanwege schending van de redelijke termijn.
De gemachtigde van de betrokkene stelde in hoger beroep dat de beslissing onduidelijk was en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat de inleidende beschikking was vernietigd. Het hof verbeterde echter het dictum van de kantonrechter en las dit als een gedeeltelijke gegrondverklaring en wijziging van de beschikking, waardoor het hoger beroep ontvankelijk is.
De inhoudelijke grond dat de betrokkene de telefoon niet vasthield maar deze op zijn schoot lag, werd door het hof niet opnieuw beoordeeld omdat deze reeds door de kantonrechter was behandeld en niet betwist werd waarom dat oordeel onjuist zou zijn.
Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Het arrest werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 7 augustus 2025 gewezen.