ECLI:NL:GHARL:2025:4975

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 augustus 2025
Publicatiedatum
11 augustus 2025
Zaaknummer
21-005671-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging medeplegen grootschalige productie MDMA met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door de rechtbank veroordeeld tot 60 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van grootschalige productie van MDMA en/of amfetamine. Het hof bevestigt de bewezenverklaring en het vonnis, maar vernietigt het deel over de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

Tijdens het onderzoek werd de verdachte niet gehoord omdat hij na ontdekking van het drugslab was gevlucht en niet is verschenen bij de rechtbank. De rechtbank behandelde de zaak bij verstek. Het hof constateert dat verdachte ook in hoger beroep niet is verschenen, ondanks kennis van de zitting, waardoor hij geen verklaring heeft kunnen afleggen.

De strafmaat is gebaseerd op LOVS-oriëntatiepunten, waarbij het gewicht van ruim 74 kilogram MDMA/amfetamine een uitgangspunt van minimaal 50 maanden gevangenisstraf rechtvaardigt. Het hof past een strafvermindering van 10% toe vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf wordt verlaagd tot 54 maanden.

De gevangenneming van verdachte wordt bevolen vanwege het vluchtgevaar. De straf zal volledig binnen de penitentiaire inrichting worden uitgevoerd, met inachtneming van mogelijke penitentiaire programma's of voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof bevestigt het vonnis voor het overige.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 54 maanden met bevel tot gevangenneming wegens medeplegen grootschalige productie MDMA.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005671-21
Uitspraak d.d.: 12 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 december 2021, met parketnummer 05-023775-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachtes raadsman, mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte voor
feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; en
feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestig (60) maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen, zij het met toepassing van een vermindering van de straf met 10% in verband met overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgedaan als hierna te noemen.
Door de raadsman van verdachte is geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten maar enkel ten aanzien van de (hoogte van de) opgelegde straf.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, met uitzondering van de (hoogte van de) op te leggen straf. Het hof overweegt daarbij dat het in de door de raadsman aangevoerde argumenten geen aanleiding ziet om over de (hoogte van de) straf anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof baseert zich daarbij – evenals de rechtbank – op de oriëntatiepunten van het LOVS, waarbij op grond van trede 19 bij een gewicht van 20.000 gram (= 20 kilogram) als uitgangspunt een gevangenisstraf wordt gehanteerd van minimaal vijftig (50) maanden gevangenisstraf. Bij de hiervoor genoemde bewezenverklaarde feiten ging het om ruim 74 kilogram aan MDMA en/of amfetamine.
De raadsman heeft in het kader van de strafmaat aangevoerd dat verdachte na de datum van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak bij de rechtbank een verzoek heeft gedaan tot heropening van het onderzoek op de zitting, teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen de behandeling van zijn strafzaak bij te wonen en een verklaring af te leggen. Bij die gelegenheid zou hij dan over de feiten en zijn persoonlijke omstandigheden nadere informatie kunnen verstrekken. De rechtbank heeft dat verzoek dan ook ten onrechte afgewezen. Omdat verdachte het niet eens zou zijn met deze gang van zaken heeft hij volgens de raadsman afgezien om bij het hof te verschijnen.
Het hof stelt vast dat verdachte gedurende het hele onderzoek niet is gehoord. Toen de politie op 11 januari 2021 ter plaatse kwam bij het drugslab aan de [locatie] werden verdachte en [medeverdachte] aangetroffen. Vervolgens is verdachte er vandoor gegaan en heeft hij zich daarna niet gemeld, waardoor de politie hem niet heeft kunnen horen. Verdachte is niet ter terechtzitting van de rechtbank verschenen en de rechtbank heeft zijn strafzaak bij verstek behandeld en afgedaan. Verdachte is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om het onderzoek ter zitting niet te heropenen, maar verdachte is ook in hoger beroep niet op de zitting verschenen om een verklaring af te leggen, terwijl hij – zo begrijpt het hof – op de hoogte was van de terechtzitting. Hierdoor heeft verdachte de mogelijkheid om een verklaring af te leggen over de feiten en/of zijn persoonlijke omstandigheden voorbij laten gaan.
De raadsman heeft gewezen op de verklaring van [medeverdachte] , waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte in de tenlastegelegde periode verslaafd zou zijn aan alcohol en lachgas. Het hof heeft op verzoek van de verdediging de reclassering opdracht gegeven om een advies over verdachte op te maken, maar verdachte heeft nimmer gereageerd op brieven van de reclassering. Om die reden heeft de reclassering de opdracht geretourneerd.
Op grond van al deze omstandigheden heeft het hof dus geen argumenten of aanknopingspunten verkregen die van invloed zouden kunnen zijn op de beoordeling van de zaak, de strafmodaliteit of de hoogte daarvan.
Ten aanzien van de hoogte van de op te leggen straf komt het hof vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn – wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierenvijftig (54) maanden.
Het hof kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de op te leggen straf en acht die in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In zoverre neemt het hof die overwegingen over.
Redelijke termijn
Het vonnis waarvan beroep dateert van 27 december 2021, waartegen op 28 december 2021 hoger beroep werd ingesteld. Op 6 januari 2022 werden door middel van een schriftuur onderzoekswensen ingediend. Op 26 juli 2023 werd door de raadsheer-commissaris de door de verdediging verzochte getuige gehoord.
Het hof heeft de zaak op 29 juli 2025 inhoudelijk behandeld en zal arrest wijzen op 12 augustus 2025. Dat betekent dat sinds het vonnis van de rechtbank drie jaar en bijna acht maanden zijn verstreken voordat het hof tot een uitspraak komt.
Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ruimschoots overschreden. Het hof ziet daarin aanleiding om een strafkorting van 10% toe te passen. Uitgaande van een gevangenisstraf van zestig (60) maanden komt het hof tot oplegging van een gevangenisstraf van vierenvijftig (54) maanden.
Het hof zal de gevangenneming van verdachte gelasten, welk bevel tot gevangenneming apart zal worden geminuteerd. Verdachte is al bij de controle door de politie van de schuren waarin de drugs werden geproduceerd, ontvlucht en heeft inmiddels geen vast woon- en of verblijfplaats in Nederland. De kans dat hij zich zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van zijn straf acht het hof groot. De ernstige bezwaren en gronden voor de gevangenneming wordt ook gegrond op het onderhavige arrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing over de oplegging van een straf op maatregel en doet opnieuw recht:
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van vierenvijftig (54) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. A.H. Garos voorzitter,
mr. P.A.H. Lemaire en mr. M.C.J. Groothuizen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Wormgoor, griffier,
en op 12 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 12 augustus 2025.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. J.H.D. van Onna, advocaat-generaal,
mr. A.C. Wormgoor, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.