Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verweerster in principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen een moeder en haar minderjarige dochter die uit huis is geplaatst onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder en vader oefenen gezamenlijk gezag uit. De minderjarige is sinds 2022 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, aanvankelijk bij de vader en later bij een netwerkpleeggezin, de grootmoeder aan vaderszijde.
De kinderrechter stelde in april 2025 een omgangsregeling vast waarbij de moeder begeleide omgang had met de dochter op vrijdagen, met een geleidelijke uitbreiding van de duur. De GI gaf eerder een schriftelijke aanwijzing die de omgang beperkte en stelde voorwaarden aan uitspraken over het woonperspectief van de minderjarige. De GI en moeder gingen in hoger beroep tegen delen van deze beschikking.
Tijdens de zitting bleek dat de omgangsregeling inmiddels was uitgebreid en positief verliep, met tevredenheid van alle betrokkenen. De moeder wilde verdere uitbreiding van de omgang, terwijl de GI vond dat de regie over uitbreiding bij haar moest blijven vanwege lopende begeleiding en nader onderzoek. Het hof oordeelde dat de omgangsregeling gehandhaafd wordt van vrijdagmiddag 14 uur tot zaterdagmiddag 14 uur, deels begeleid en onder regie van de GI, en dat de moeder geen uitspraken mag doen over de woonplaats zolang het perspectief onduidelijk is.
Uitkomst: Het hof stelt een omgangsregeling vast van vrijdagmiddag tot zaterdagmiddag onder regie en gedeeltelijke begeleiding van de gecertificeerde instelling.