Het geschil betreft het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn dochter, geboren in 2014, nadat de moeder haar toestemming had onthouden. De rechtbank had dit verzoek eerder afgewezen. De vader is de biologische verwekker en woont in Nederland met een verblijfsvergunning. De moeder en dochter hebben de Nederlandse nationaliteit en de moeder oefent het eenhoofdig gezag uit.
De omgang tussen vader en dochter verliep moeizaam, met een ondertoezichtstelling die in november 2024 werd beëindigd zonder contactherstel. De moeder heeft emotionele weerstand tegen erkenning, maar heeft onvoldoende onderbouwd dat erkenning de belangen van het kind of haar relatie met het kind schaadt. De minderjarige zelf heeft in een brief aangegeven dat zij wil dat alles hetzelfde blijft.
Het hof oordeelt dat het belang van de vader en de minderjarige om hun familierechtelijke relatie te erkennen zwaarder weegt dan de bezwaren van de moeder. De bijzondere curator, ondanks haar eerdere standpunt, adviseert ook vervangende toestemming te verlenen los van de omgangsproblematiek. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en verleent vervangende toestemming voor erkenning.