Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens het niet inschrijven van haar twee leerplichtige kinderen op een school, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en deed opnieuw recht.
Tijdens het hoger beroep stelde verdachte dat sprake was van dwaling en overmacht, omdat zij en haar echtgenoot hun kinderen hadden ingeschreven op een school waarvan zij niet op de hoogte waren van de juridische consequenties, en later de kinderen thuis hielden vanwege onveilige omstandigheden op de school. Het hof oordeelde echter dat deze verweren niet opgingen. De kinderen waren eerder ingeschreven geweest, waardoor vrijstelling op grond van richtingsbezwaren niet mogelijk was. Het niet inschrijven na 1 augustus 2023 was verwijtbaar.
Het hof achtte het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur, bij niet-uitvoering te vervangen door 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.