De verzoekers, een gehuwd stel met twee minderjarige kinderen, zijn in 2015 vanuit Syrië naar Nederland gekomen. De man startte een koeriersbedrijf en later een Syrisch restaurant, dat in 2024 vanwege financiële problemen en boetes van officiële instanties werd gesloten. Na het staken van de ondernemingen zijn beiden in loondienst bij het bedrijf van de zus van verzoeker.
De rechtbank Gelderland wees het verzoek tot toelating tot de wsnp af omdat de schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek niet te goeder trouw zijn ontstaan. Verzoekers stelden dat de schulden vooral zakelijke schulden betreffen en dat zij inmiddels hun situatie onder controle hebben, en deden een beroep op de hardheidsclausule.
Het hof overwoog dat de verkeersboetes, boetes van de Nederlandse Arbeidsinspectie en NVWA naar hun aard niet te goeder trouw zijn ontstaan en dat verzoekers onvoldoende bewijs leverden om het tegendeel aannemelijk te maken. Ook werd de samenwerking met schuldhulpverlening als onvoldoende beoordeeld en bleek uit de verklaringen een aanhoudende ondernemingsdrang, wat wijst op een weinig saneringsgezinde houding.
Daarom concludeerde het hof dat verzoekers niet voldoen aan de goede trouw toets en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de wsnp af.