De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking tot ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind. De minderjarige was aanvankelijk onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) voor een bepaalde periode, welke later werd verlengd. De kinderrechter had de beslissing over de resterende periode aangehouden tot een zitting op 3 februari 2025.
Tijdens die zitting gaf de raad voor de kinderbescherming aan het verzoek tot ondertoezichtstelling voor de resterende periode in te trekken, waardoor de ondertoezichtstelling op 12 februari 2025 zou eindigen. Naar aanleiding hiervan trok de moeder haar hoger beroep in, waarmee zij de gronden van haar beroep niet langer handhaafde.
Het hof besloot daarop de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot hoger beroep. Deze beslissing werd genomen in een openbare zitting op 4 februari 2025 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, afdeling civiel recht.