ECLI:NL:GHARL:2025:5650

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 september 2025
Publicatiedatum
15 september 2025
Zaaknummer
21-006013-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van witwassen en veroordeling voor wapenbezit en heroïnebezit na hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 september 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld voor het witwassen van geldbedragen en het voorhanden hebben van wapens en heroïne. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het witwassen, omdat hij een voldoende concrete en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de geldbedragen. Het hof oordeelde dat er wel sprake was van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, maar dat de verdachte niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat hij het onder 4 tenlastegelegde feit had begaan.

De verdachte is wel veroordeeld voor het voorhanden hebben van een busje pepperspray en een stroomstootwapen, alsook voor het opzettelijk aanwezig hebben van 4,55 gram heroïne. Het hof heeft de straf van de rechtbank, een taakstraf van 30 uren, bevestigd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof heeft ook vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, maar volstaat met de constatering hiervan. De in beslag genomen geldbedragen worden teruggegeven aan de verdachte, nu hij is vrijgesproken van het witwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006013-23
Uitspraakdatum: 11 september 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2023 met parketnummer 18-116939-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
wonende te [woonplaats]

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd:
  • vernietiging van het vonnis;
  • bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde;
  • veroordeling tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten;
  • verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 2.244,56.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. F.A.G.M. Landerloo, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis:
  • verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde;
  • het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde bewezenverklaard;
  • verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis;
  • de teruggave gelast van de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen van
€ 514,56 en € 1.730,-.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 september 2021 te [pleegplaats] , een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 24 september 2021 te [pleegplaats] , een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 24 september 2021 te [pleegplaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal)ongeveer 4,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op of omstreeks 24 september 2021 te [pleegplaats] (van) één of meer voorwerpen, te weten één of meer geldbedrag(en) van in totaal (ten minste) 2244,56 euro, althans een grote hoeveelheid geld, bestaande uit een (grote) hoeveelheid bankbiljetten (in coupures van 5,10,20 en 50 euro (te weten (in totaal 1730 euro) en/of een hoeveelheid muntgeld (te weten (in totaal) 514,56 euro),
Sub a
-de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
-heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren,
en/althans
één of meer voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en) van in totaal (ten minste) 2244,56 euro, althans een grote hoeveelheid geld, bestaande uit een (grote) hoeveelheid bankbiljetten (in coupures van 5,10,20 en 50 euro (te weten (in totaal) 1730 euro) en/of een hoeveelheid muntgeld (te weten (in totaal) 514,56 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt van bovenomschreven voorwerp(en)
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze – voor zover aan de orde – in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweer

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de politie op onrechtmatige wijze is binnengetreden in de woning van verdachte en dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van al het bewijs dat hieruit is voortgekomen, resulterend in een integrale vrijspraak. Aangevoerd is dat een woning enkel op grond van artikel 96 Sv mag worden binnengetreden als er een redelijke verdenking van een feit bestaat waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Een dergelijke verdenking ontbrak echter. De verdenking rustte enkel op één TCI-melding, die onvoldoende concreet en specifiek was om de verdenking te kunnen dragen.
Het hof overweegt als volgt:
Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de politie anonieme informatie kan gebruiken als startinformatie voor een opsporingsonderzoek. Doorgaans is gewenst dat - zo mogelijk - enig nader onderzoek plaatsvindt ter verificatie van die informatie. De kwaliteit van de verstrekte gegevens is beslissend voor de vraag of zij zonder meer aanleiding mocht geven tot het instellen van een onderzoek of dat zij eerst nog ondersteuning behoefde. Het oordeel over die kwaliteit is van feitelijke aard en wordt gevormd door beantwoording van de vraag of de verstrekte informatie voldoende concreet en specifiek is.
Bij het Team Criminele Inlichten van de Eenheid Noord-Nederland is op 23 september 2021 via een informant de volgende informatie binnengekomen:
[verdachte] uit [woonplaats] is samen met zijn broers al jarenlang actief in de cocaïnehandel. Een van broers woont in [plaats] en is rond de [leeftijd] oud. De andere broer van [verdachte] woont op de [adres] . [verdachte] en zijn broers verdienen veel geld met de cocaïnehandel. In de woning van [verdachte] , de woning van zijn broer uit [plaats] , de woning aan de [adres] en in de woning van vader op de [adres 1] wordt op dit moment minimaal een ton aan euro's in cashgeld bewaard.’
De inspecteur van politie van het Team Criminele Inlichtingen van de Eenheid
Noord-Nederland heeft deze verstrekte informatie als betrouwbaar aangemerkt.
Daarnaast is nader onderzoek gedaan naar de in de melding genoemde personen en hun adressen. Daaruit bleek het volgende:
‘Uit nader onderzoek is gebleken dat:
Met [verdachte] uit [woonplaats] wordt bedoeld: [verdachte] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende [adres 2] .
Met de broer uit [plaats] wordt bedoeld: [naam] , geboren [geboortedatum/plaats] en wonende [adres 3] .
Met de broer op de [adres] wordt bedoeld: [naam 1] , geboren [geboortedatum/plaats 1] en wonende [adres] .
Met de vader van [verdachte] wordt bedoeld: [naam 2] , geboren [geboortedatum/plaats 2] en wonende [adres 1] .’
Uit deze informatie volgt dat de in de melding genoemde broers en woonadressen zijn geverifieerd.
Uit het dossier blijkt verder (pagina 38 van het procesdossier) dat het de politie reeds ambtshalve bekend was dat de broers [familienaam] zich bezighielden met de handel in harddrugs. Zo blijkt dat meermalen tijdens observaties was waargenomen dat [verdachte] korte contacten dan wel bezoekjes bracht aan ambtshalve bekende drugsgebruikers. Deze contacten vonden plaats eind 2020 en begin 2021. Deze informatie, in combinatie bezien met de TCI-melding, maakte dat verbalisanten besloten contact op te nemen met de officier van justitie.
Vervolgens is op 24 september 2021 met een machtiging binnengetreden in – onder meer – de woning van verdachte. De machtiging is afgegeven op basis van artikel 96/97 Sv afgegeven ter inbeslagname van vermogenscomponenten, waaronder contant geld.
De rechter-commissaris heeft op 24 september 2021 een mondelinge vordering doorzoeking op basis van artikel 110 Sv toegewezen en deze op 29 september 2021 schriftelijk bevestigd.
In de woning van verdachte werden geld, verdovende middelen en een taser aangetroffen.
Het hof merkt op dat uit de inhoud van het dossier volgt dat er ten tijde van de doorzoeking meer informatie over verdachte en/of zijn familieleden beschikbaar was dan alleen de (geverifieerde) TCI-informatie, te weten dat ambtshalve bekendheid bestond van eerdere observaties, maar dat deze informatie in de beginfase van het onderzoek niet is geverbaliseerd. Hoewel het zorgvuldiger was geweest om deze informatie vanaf de start van het onderzoek in het dossier op te nemen, is het hof van oordeel dat op basis van de geverifieerde TCI-informatie, aangevuld met de bij de politie reeds bekende informatie, redelijkerwijs het vermoeden kon ontstaan dat verdachte uit misdrijf afkomstig geld in zijn woning bewaarde.
Op basis van die verdenking was een doorzoeking gerechtvaardigd en heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot de doorzoeking kunnen komen. Het verweer, strekkende tot bewijsuitsluiting op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv wordt verworpen.

Vrijspraak feit 4

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde bepleit.
Primair is aangevoerd dat de feiten en omstandigheden die het Openbaar Ministerie heeft aangedragen, geen redelijk vermoeden van witwassen opleveren.
Subsidiair is aangevoerd dat, mocht geoordeeld worden dat er wel sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, verdachte daarvoor een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijvingen van de artikelen 420bis/420quater, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit
enigmisdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Gronddelict
In deze zaak is geen direct bewijs voor een specifiek gronddelict. Dat de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn, is niet een gegeven uit een veroordeling en volgt niet uit opsporingshandelingen.
Vermoeden van witwassen
Er is naar het oordeel van het hof wel sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Verdachte zou blijkens de TCI-informatie en de politie ambtshalve bekende informatie betrokken zijn bij de handel in harddrugs/cocaïne. Eén van de zogenoemde witwastypologieën is het feit dat handel in verdovende middelen veel geld in kleine coupures oplevert, zoals bij verdachte aan de orde was. Daarnaast werden deze coupures in een plastic zakje in een keukenlade aangetroffen alwaar zich ook drugs bevonden.
Onder deze omstandigheden leveren de aangetroffen geldbedragen naar het oordeel van het hof een vermoeden van witwassen op. Van verdachte mag daarom worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van deze geldbedragen.
Verklaring van verdachte
Indien er sprake is van een witwasvermoeden, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het voorwerp waarvan wordt vermoed dat het uit witwassen afkomstig is.
Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank en het hof over de herkomst van het geld verklaard. Zo heeft hij over de in de auto aangetroffen zak met muntgeld verklaard dat hij sinds een aantal jaren muntgeld bewaarde. Met betrekking tot de bankbiljetten in de keukenlade heeft verdachte verklaard dat hij het handig vond om altijd wat cash geld thuis te hebben liggen. Hij had als gevolg van een bedrijfsongeval een schadevergoeding ontvangen. Dat geldbedrag ontving verdachte in gedeeltes en daarvan heeft verdachte geldbedragen gepind.
Het hof is op grond van de inhoud van het dossier van oordeel dat verdachte een voldoende concrete en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de geldbedragen waarvoor een witwasvermoeden bestaat. Het onderzoeksdossier biedt geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat deze verklaring niet kan kloppen. Daar komt bij dat verdachte zelf bankafschriften heeft overgelegd waaruit volgt dat hij in de voorafgaande periode een groter bedrag dan dat wat contant bij hem is aangetroffen, heeft gepind. Daarnaast heeft hij stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk een uitkering naar aanleiding van een ongeval heeft ontvangen. Dit leidt ertoe dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 24 september 2021 te [pleegplaats] , een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, voorhanden heeft gehad;
2.
hij op 24 september 2021 te [pleegplaats] , een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 24 september 2021 te [pleegplaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,55 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een busje pepperspray en een stroomstootwapen. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het ongecontroleerde bezit van wapens dat een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft verdachte opzettelijk 4,55 gram heroïne aanwezig gehad. Daarmee heeft verdachte als afnemer van harddrugs bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Het is algemeen bekend dat het bestaan van dit drugscircuit nadelige
maatschappelijke gevolgen kent, waaronder gezondheidsschade voor drugsgebruikers. Het
drugscircuit gaat bovendien doorgaans gepaard met andere vormen van criminaliteit.
Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 juli 2025 is gebleken dat verdachte eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld. Dit betreft voornamelijk oudere recidive, die niet in belangrijke mate bij de straftoemeting zal worden betrokken.
Ook heeft het hof de landelijke oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht in aanmerking genomen. De oriëntatiepunten geven, voor zover in deze zaak van belang, als uitgangspunt een geldboete.
Het hof ziet, evenals de rechtbank, aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten. Het aantreffen van alle goederen tezamen rechtvaardigt de oplegging van een taakstraf. Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf, een taakstraf voor de duur van 30 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, een passende en geboden bestraffing vormt. Daarom zal verdachte ook in hoger beroep tot die straf worden veroordeeld.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting in de procedure bij de rechtbank is overschreden. Verdachte is op 24 september 2021 in verzekering gesteld en de zaak is afgedaan op 19 december 2023. De redelijke termijn, die wordt gesteld op twee jaren, is daarmee met drie maanden overschreden. Mede vanwege de aard en de hoogte van de opgelegde taakstraf volstaat het hof met de enkele constatering van de overschrijding.

Beslag

Met betrekking tot feit 4 is onder verdachte een geldbedrag van € 2.244,56 (bestaande uit
€ 514,56 aan muntgeld uit de auto en € 1.730,- aan coupures uit de keuken) inbeslaggenomen.
Nu het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde zal de teruggave aan verdachte gelast worden van dit geldbedrag. Het belang van strafvordering verzet zich hier niet tegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- € 514,56 ( omschrijving: 1422727);
- € 1.730,00 ( omschrijving: 1422679).
Aldus gewezen door
mr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. O. Anjewierden, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,
en op 11 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.