ECLI:NL:GHARL:2025:5795

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
23 september 2025
Zaaknummer
200.356.773/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening partneralimentatie in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 september 2025 een beschikking gegeven in hoger beroep met betrekking tot een voorlopige voorziening voor partneralimentatie. De man, die in hoger beroep is gekomen, verzoekt om opschorting van zijn alimentatieverplichting aan de vrouw met ingang van 1 januari 2025. De man heeft sinds 1 januari 2025 geen alimentatie meer betaald en zijn onderneming verkeert in zwaar weer. De rechtbank had eerder bepaald dat de man € 980,- per maand aan de vrouw moest betalen, maar de man stelt dat hij momenteel niet in staat is om aan deze verplichting te voldoen. Tijdens de mondelinge behandeling op 1 september 2025 is de situatie van de man besproken, waarbij hij aangaf dat hij zijn onderneming aan het beëindigen is en dat hij moeite heeft om ander werk te vinden. Het hof oordeelt dat de man een voldoende dringend belang heeft bij zijn verzoek en dat het niet van hem kan worden gevergd om de afloop van de bodemzaak af te wachten. Het hof schorst daarom de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 januari 2025 voor de duur van de procedure in hoger beroep. Het verzoek om ook de incassomaatregelen op te schorten wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.773/02
(zaaknummer rechtbank Gelderland 445643)
beschikking van 23 september 2025 inzake voorlopige voorzieningen
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits,
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats2] , gemeente [gemeente] ,
verweerster,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W. Kok.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure in het incident en de hoofdzaak blijkt uit:
- het verzoekschrift, met daarin ook een verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ingekomen op 11 juli 2025;
- het verweerschrift tevens houdende verweer op verzoek provisionele voorziening;
- het verweerschrift op beroepschrift;
- een journaalbericht van mr. Gerrits van 29 augustus 2025 met productie.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 1 september 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de vrouw.

2.De feiten

2.1
Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2022 ontbonden door echtscheiding.
2.2
In de echtscheidingsbeschikking van 11 juli 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de man € 550,- bruto per maand partneralimentatie aan de vrouw moest betalen.
2.3
In de beschikking van de rechtbank van 15 maart 2024 is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (ook: partneralimentatie) met ingang van 21 juli 2023 vastgesteld op € 1.165,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2024 vastgesteld op € 1.237,- bruto per maand.
2.4
In de beschikking van 18 februari 2025 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om de in de beschikking van 15 maart 2024 opgelegde partneralimentatieverplichting op te schorten.
2.5
De man heeft sinds 1 januari 2025 geen partneralimentatie meer voldaan aan de vrouw.

3.De omvang van het geschil

3.1
In de beschikking van 24 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de beschikking van 15 maart 2024 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking een bedrag van € 980,- per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat van de man, van wie de onderneming in zwaar weer verkeert, verwacht mag worden dat hij zijn verdiencapaciteit benut door ergens anders (in loondienst) te gaan werken om in de partneralimentatie te voorzien. Ook is beslist dat de beschikking direct kan worden uitgevoerd, ook als de man of de vrouw in hoger beroep gaat tegen de beschikking.
3.2
De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De bedoeling van dit hoger beroep is dat de verplichting van de man om partneralimentatie te betalen alsnog eindigt en in ieder geval op nihil wordt gesteld met ingang van 1 januari 2025 (
de hoofdzaak).
3.3
De man verzoekt ook om een voorlopige voorziening te treffen zoals staat in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De bedoeling van dat verzoek is (zoals de man tijdens de mondelinge behandeling nader heeft uitgelegd) dat met ingang van 1 januari 2025 de alimentatieverplichting en de incassomaatregelen worden opgeschort tot het hof in de hoofdzaak de eindbeslissing geeft.
De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1
In artikel 223 lid 1 Rv staat dat iedere partij tijdens een lopende procedure kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de procedure. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering in de voorlopige voorziening moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak. Aangezien de hoofdzaak tussen partijen bij dit hof aanhangig is – het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2025 – en die samenhang dus bestaat, is de man ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening.
4.2
Het hof stelt voorop dat een voorlopige voorziening naar haar aard een tijdelijke beslissing is die geldt voor de duur van de procedure. Vereist is dat de partij die de voorlopige voorziening vraagt een voldoende (dringend) belang heeft bij een dergelijk verzoek en dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. De gevraagde voorlopige voorziening betreft opschorting van de door de man te betalen partneralimentatie.
De vrouw voert verweer en heeft gesteld dat zij kampt met gezondheidsproblemen en afhankelijk is van de partneralimentatie voor haar levensonderhoud.
Tussen partijen is niet in geschil dat het met de onderneming van de man slecht gaat. Het is helder dat de man momenteel niet voldoende inkomen (of vermogen) heeft om aan de alimentatieverplichting jegens de vrouw te voldoen. De man heeft een betalingsachterstand bij verschillende crediteuren en hij maakt maximaal gebruik van zijn kredietfaciliteiten. Inmiddels is ook duidelijk dat de man momenteel zijn onderneming aan het beëindigen is; hij heeft de huur opgezegd, hij heeft iemand ingeschakeld die een veiling organiseert om de showroom en het magazijn leeg te verkopen, hij is alles aan het fotograferen en stickeren ten behoeve van de veiling en hij heeft begeleiding van [non profit organisatie] ingeschakeld om te helpen bij het beëindigen van zijn onderneming. De man heeft (onbestreden) gesteld dat dit alles ertoe moet leiden dat, in het meest gunstigste geval, de gehele voorraad en inventaris per 18 oktober 2025 verkocht is. De man stelt dat het hem zwaar valt om zijn levenswerk te beëindigen en dat het hem op dit moment nog niet gelukt is om ander betaald werk te vinden.
Het hof is van oordeel dat van de man in deze situatie, waarin hij zijn onderneming aan het ontmantelen is en waarin partijen ook nog steeds bezig zijn met het afronden van de echtscheiding, wat de man ook mentaal in beslag neemt, niet kan worden verwacht dat hij zich nu al volledig inzet op het maken van een carrière switch om de door de rechtbank bepaalde verdiencapaciteit te verzilveren. De vraag per wanneer en in hoeverre van de man verwacht kan worden dat hij zijn verdiencapaciteit verwezenlijkt, zal moeten worden beoordeeld in de hoofdzaak.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de man een voldoende dringend belang heeft bij zijn verzoek en dat van hem kan niet worden gevergd dat hij de bodemzaak afwacht. Het hof zal de gevraagde voorlopige voorziening tot opschorting van de alimentatieverplichting dan ook toewijzen. Nu de man hierdoor voor de duur van de procedure in hoger beroep niet meer gehouden is tot het betalen van partneralimentatie per 1 januari 2025, heeft de man geen belang bij toewijzing van het verzoek om ook de incassomaatregelen op te schorten. Het hof wijst dit deel dan ook af.

5.De beslissing

Het hof:
schort de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw op met ingang van 1 januari 2025 voor de duur van de procedure in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K. Mans en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 23 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.