Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 september 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van een gezagsbeslissing. De zaak betreft de ouders van een minderjarige, waarbij de vader in hoger beroep is gegaan tegen een eerdere beslissing van de rechtbank Overijssel. De rechtbank had bepaald dat de moeder met ingang van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand alleen het gezag over de minderjarige zou uitoefenen. De vader verzocht het hof om deze gezagsbeslissing te schorsen, zodat deze nog geen werking zou hebben totdat het hoger beroep was afgerond. Tijdens de mondelinge behandeling op 1 september 2025 waren beide ouders aanwezig, bijgestaan door hun advocaten, en was er ook een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig.
Het hof heeft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bevestigd en de verzoeken van de vader beoordeeld. Het hof overwoog dat de beslissing van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, wat betekent dat deze al werking had terwijl het hoger beroep nog liep. De vader stelde dat de gezagsbeslissing geschorst moest worden, maar het hof oordeelde dat het belang van de moeder om zelfstandig beslissingen te nemen over de minderjarige zwaarder woog dan het belang van de vader om het gezamenlijk gezag te behouden. Het hof wees het verzoek van de vader af, onderbouwd met de argumenten dat de moeder al meerdere gezagsbeslissingen had moeten nemen en dat er geen nieuwe feiten waren die een schorsing rechtvaardigden. De beslissing van het hof werd op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.