ECLI:NL:GHARL:2025:5796

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
23 september 2025
Zaaknummer
200.356.886/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van een gezagsbeslissing in het kader van een echtscheiding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 september 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van een gezagsbeslissing. De zaak betreft de ouders van een minderjarige, waarbij de vader in hoger beroep is gegaan tegen een eerdere beslissing van de rechtbank Overijssel. De rechtbank had bepaald dat de moeder met ingang van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand alleen het gezag over de minderjarige zou uitoefenen. De vader verzocht het hof om deze gezagsbeslissing te schorsen, zodat deze nog geen werking zou hebben totdat het hoger beroep was afgerond. Tijdens de mondelinge behandeling op 1 september 2025 waren beide ouders aanwezig, bijgestaan door hun advocaten, en was er ook een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig.

Het hof heeft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bevestigd en de verzoeken van de vader beoordeeld. Het hof overwoog dat de beslissing van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, wat betekent dat deze al werking had terwijl het hoger beroep nog liep. De vader stelde dat de gezagsbeslissing geschorst moest worden, maar het hof oordeelde dat het belang van de moeder om zelfstandig beslissingen te nemen over de minderjarige zwaarder woog dan het belang van de vader om het gezamenlijk gezag te behouden. Het hof wees het verzoek van de vader af, onderbouwd met de argumenten dat de moeder al meerdere gezagsbeslissingen had moeten nemen en dat er geen nieuwe feiten waren die een schorsing rechtvaardigden. De beslissing van het hof werd op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.886/02
(zaaknummers rechtbank Overijssel 316732 en 323730)
beschikking van 23 september 2025 op het verzoek tot schorsing
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. W. Geersen-Janssen (onttrokken per 10 september 2025),
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.M. Elfrink.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 15 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, beslist dat de moeder met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, alleen het gezag uitoefent over de hierna nader te noemen [minderjarige] en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens opwerping incident met producties, ingekomen op 11 juli 2025 en
- het verweerschrift in hoger beroep tevens incident.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 1 september 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2024, in Almelo (hierna: [minderjarige] ).
[minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
In de bestreden beschikking is onder meer de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat de moeder alleen het gezag zal uitoefenen over [minderjarige] met ingang van de dag dat de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Deze inschrijving heeft plaatsgevonden op [datum] 2025.
3.3
Het hoger beroep van de vader is onder meer gericht tegen de gezagsbeslissing.

4.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht
4.1
Het internationale karakter van de zaak (meerdere nationaliteiten) vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof verwijst hiervoor naar de daaraan gewijde overwegingen van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht en die het hof onderschrijft. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek van het ouderlijk gezag.
Schorsing
4.2
De rechtbank heeft de beslissing over (onder meer) het gezag uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat deze beslissing al werking heeft terwijl het hoger beroep nog loopt. De vader wil dat de gezagsbeslissing wordt geschorst, dus dat dit onderdeel van de bestreden beschikking nog geen werking heeft zolang het hoger beroep nog loopt. De moeder voert hiertegen gemotiveerd verweer.
4.3
De wet geeft de volgende regels. Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
4.4
Hoe moet worden beslist over dit verzoek van de vader hangt onder meer af van de manier waarop de rechtbank de beslissing heeft opgeschreven. De rechtbank heeft in dit geval de beslissing om uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet toegelicht. Het hof kan in zo’n geval de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
4.5
Het hof zal niet alvast ingrijpen in de gegeven gezagsvoorziening zoals de vader met zijn verzoek voor ogen staat. De gezagsbeslissing van de bestreden beschikking is inmiddels geëffectueerd doordat deze (echtscheidings)beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat de moeder sinds [datum] 2025 het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft. Juridisch is de vraag wat het effect van toewijzing van de gevraagde schorsing zou zijn. Los daarvan ziet het hof geen aanleiding voor een schorsing om de volgende redenen.
De moeder heeft in de korte periode sinds de geboorte van [minderjarige] – in [in] 2024 – al meerdere procedures moeten voeren om gezagsbeslissingen te kunnen nemen, zoals voor het aanvragen van een identiteitskaart, inschrijving bij het kinderdagverblijf en een besnijdenis. De moeder heeft op de mondelinge behandeling verteld dat zij in de periode vanaf [datum] 2025 al een gezagsbeslissing heeft moeten nemen over de vakantie met [minderjarige] en dat er in de komende periode nog meer gezagsbeslissingen worden verwacht, zoals vaccinaties. De moeder heeft ook verteld dat zij sinds het eenhoofdig gezag veel meer rust heeft ervaren en dat dit ook goed is voor [minderjarige] . Van de kant van de vader is hier niets (steekhoudends) tegen ingebracht. Dat er zonder veel strijd en rompslomp beslissingen kunnen worden genomen voor [minderjarige] en dat er meer rust is rondom [minderjarige] is in zijn belang. Daarbij heeft de vader nog steeds geen contact met [minderjarige] – er is een raadsonderzoek gestart in opdracht van de rechtbank –, zijn de ouders nog steeds onvoldoende in staat om met elkaar te overleggen en hebben zich verder ook geen nieuwe feiten voorgedaan sinds de bestreden beschikking.
Het hof is dan ook van oordeel dat de ouders in ieder geval voor de duur van de procedure niet in staat zullen zijn om gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] te nemen. Het hof acht het belang van de moeder om voortvarend beslissingen te kunnen nemen over [minderjarige] in de komende periode – zolang de procedure bij het hof loopt – zwaarder wegen dan het belang van de vader om het gezamenlijk gezag te behouden. Het hof zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen.

5.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 23 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019,