De heffingsambtenaar legde aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting op van € 69,40, waarvan € 66,50 aan kosten. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze aanslag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onbevoegdheid van de uitspraak op bezwaar, maar handhaafde de naheffingsaanslag en wees proceskosten toe.
In hoger beroep stond centraal of het bedrag van € 66,50 aan kosten terecht in rekening was gebracht en of de proceskostenvergoeding voor de zitting van 8 februari 2023 terecht was toegekend. Het hof oordeelde dat de bekendmaking van het maximumbedrag door de Minister na de wettelijke datum niet leidde tot ongeldigheid van het bedrag. Ook was de raming van kosten en het tarief van € 66,50 rechtsgeldig vastgesteld.
Verder stelde het hof dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding had toegekend voor de zitting van 8 februari 2023, omdat de heffingsambtenaar niet was verschenen ondanks tijdige uitnodiging. Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten voor zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, inclusief griffierecht, met wettelijke rente.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer A.J.H. van Suilen op 4 februari 2025.