ECLI:NL:GHARL:2025:5979

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
200.355.065
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling door een schuldenaar met onverantwoord ondernemerschap

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 september 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, dat op 21 mei 2025 werd gewezen. De appellante, een 36-jarige vrouw, had verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) na een periode van onverantwoord ondernemerschap. De rechtbank had haar verzoek afgewezen, omdat zij niet te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. De appellante had een eenmanszaak waarin zij shea butter verkocht, maar had deze in januari 2025 verkocht en was uitgeschreven uit het handelsregister. Ondanks haar beperkte inkomsten en gezondheidsproblemen, had zij niet aangetoond dat zij in staat was om de verplichtingen uit de wsnp na te komen. Het hof oordeelde dat de appellante onvoldoende inzicht had in haar financiële situatie en dat haar beroep op de hardheidsclausule niet kon slagen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarmee de afwijzing van het verzoek tot wsnp werd bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.355.065
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 25/268
arrest van 30 september 2025
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.P. Smit

1.De procedure bij de rechtbank

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), heeft bij vonnis van 21 mei 2025 het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp) afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2.De procedure bij het hof

2.1.
Bij (op 27 mei 2025 bij het hof binnengekomen) beroepschrift heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 mei 2025. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat zij alsnog zal worden toegelaten tot de wsnp.
2.2.
Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlagen kennisgenomen van:
  • de op 8 augustus 2025 door mr. Smit ingediende aanvullende stukken;
  • de op 18 september 2025 door mr. Smit ingediende aanvullende stukken.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. Hierbij is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Verder is mevrouw [beschermingsbewindvoerder] (hierna: de beschermingsbewindvoerder) verschenen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten en het oordeel van de rechtbank
3.1.
[appellante] , 36 jaar oud, woont momenteel bij haar ouders te [woonplaats] . In verband met co-ouderschap wonen haar twee minderjarige kinderen om de week bij [appellante] in diezelfde woning. [appellante] is in april 2019 een eenmanszaak gestart, waarin zij zich voornamelijk bezighield met het verkopen van shea butter. In januari 2025 heeft [appellante] haar onderneming verkocht en zichzelf uitgeschreven uit het handelsregister. Momenteel werkt [appellante] vijf uur in de week in loondienst bij haar voormalige onderneming. Zij ontvangt daarvoor € 600,04 netto per maand. Daarnaast ontvangt [appellante] nog inkomsten (op provisiebasis) voor het verkopen van oliën. Volgens [appellante] is zij wegens medische redenen niet in staat om meer te werken. Sinds 23 juni 2025 staat [appellante] onder beschermingsbewind.
3.2.
Volgens de recentste crediteurenlijst heeft [appellante] een totale schuldenlast van ruim € 96.000,- waaronder een schuld van in totaal € 28.482,- aan de Belastingdienst, een schuld van € 12.445,71 aan Volkswagen Pon, een schuld van € 9.616,- aan Bridgefund en een schuld van € 15.000,- aan [naam1] . De schulden houden voornamelijk verband met de onderneming van [appellante] .
3.3.
De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] afgewezen omdat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek niet te goeder trouw is geweest. Volgens de rechtbank zijn in 2024 en 2025 nog schulden ontstaan via de voormalige onderneming van [appellante] . [appellante] wist of had moeten weten dat zij haar betalingsverplichting toen al niet meer kon nakomen. Bovendien heeft [appellante] zelf verklaard dat zij niet goed wist waar zij mee bezig was. Er is volgens de rechtbank sprake van onverantwoord ondernemerschap. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule afgewezen. Daartoe overweegt de rechtbank dat een afdoende verklaring voor het niet solliciteren naar een fulltime baan wegens medische redenen ontbreekt. Bovendien is [appellante] volgens de rechtbank nog steeds aan haar voormalige onderneming verbonden. Het is onvoldoende gebleken dat [appellante] de omstandigheden die hebben geleid tot de schuldensituatie nu onder controle heeft, aldus de rechtbank.
De beoordeling door het hof
De goede trouw
3.4.
Op grond van artikel 288 lid 1 onder b Faillissementswet (hierna: Fw) is het aan [appellante] om aannemelijk te maken dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellante] moet daarom aan de hand van stukken onder meer inzichtelijk maken welke schulden er zijn, aan wie deze zijn verschuldigd, hoe hoog deze schulden (exact) zijn, wanneer deze zijn ontstaan en wat de ontstaansredenen van die schulden zijn.
3.5.
Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken is het hof van oordeel, dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar schulden te goeder trouw zijn ontstaan. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat uit de schriftelijke verklaring van [appellante] en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken volgt dat [appellante] , vanaf het moment dat zij begon met haar onderneming, zich eigenlijk niet goed realiseerde waar zij mee bezig was en dat het haar al snel, mede door haar privéomstandigheden, te veel werd. [appellante] is de onderneming gestart zonder een uitgewerkt ondernemingsplan of enige ervaring in of kennis van het ondernemerschap. Al vrij snel na de start van de onderneming (in 2020) ontstonden de eerste schulden. [appellante] had niet goed in de gaten hoe het er voor stond met de (oplopende) kosten van de onderneming en hield zich voornamelijk bezig met het maken van meer omzet. Door de keuzes die [appellante] heeft gemaakt – zoals het afsluiten van meerdere kredieten om de (hoge) kosten op te vangen, en het maken van hoge kosten voor adverteren door derden (terwijl de omzet dit eigenlijk niet rechtvaardigde) – liepen de schulden al snel op. Tot kort voor de overdracht van de onderneming heeft [appellante] forse investeringen gedaan, terwijl zij toen had moeten beseffen dat de onderneming in zwaar financieel weer verkeerde. Gelet op het vorenstaande is het hof dan ook met de rechtbank van oordeel dat sprake is van onverantwoord ondernemerschap.
De verplichtingen van de wsnp
3.6.
Verder is het hof van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op dit moment in staat zal zijn de uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen en dat zij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 onder c Fw). Het hof overweegt daartoe dat [appellante] heeft gesteld dat zij wegens gezondheidsproblemen niet in staat is om fulltime te werken. [appellante] heeft weliswaar aangetoond dat zij inmiddels onder behandeling is voor haar mentale problemen, maar een concreet rapport waaruit volgt in hoeverre [appellante] al dan niet in staat is om te werken ontbreekt. Bovendien heeft [appellante] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat het uiteindelijk de bedoeling is dat zij bij haar voormalige onderneming meer uren zal gaan werken dan dat zij nu doet. Verder heeft [appellante] tijdens de mondelinge behandeling geen blijk gegeven van inzicht in het creëren van een situatie die financieel stabiel is. In plaats van het zoeken van een baan in loondienst, is [appellante] voornemens om haar huidige werkzaamheden – het verkopen van etherische oliën – die zij weliswaar op provisiebasis verricht maar die kennelijk ook een eigen financiële investering vergen, verder voort te zetten en uit te breiden. Een dergelijke onvoldoende inzichtelijke, niet met gegevens onderbouwde inkomstenbron biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende basis voor het scheppen van een stabiele financiële situatie. Bovendien brengt dit administratieve verplichtingen met zich waarvan onvoldoende duidelijk is of een en ander voldoende (fiscaal) is geregeld. Daar komt bij dat het hof gelet op het voorgaande van oordeel is dat de situatie van [appellante] op dit moment nog onvoldoende stabiel is, hetgeen door mr. Smit ook is gezegd tijdens de mondelinge behandeling door aan te geven dat de omstandigheden van [appellante] voor toepassing van de wsnp op dit moment nog niet ideaal zijn.
Het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule
3.7.
[appellante] heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule zoals bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Omdat de hardheidsclausule onder meer een uitzondering vormt op het vereiste van goede trouw als bepaald in art. 288 lid 1 onder b Fw, en uit rechtsoverweging 3.6 volgt dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder c Fw, kan de hardheidsclausule geen toepassing vinden. Bovendien zijn de schulden nog heel recent ontstaan en staan de aard en de hoogte ervan aan toepassing van de hardheidsclausule op dit moment in de weg.
Verlenging looptijd
3.8.
[appellante] heeft nog aangevoerd dat zij bereid is om te worden toegelaten tot de wsnp met eventueel een verlenging van de looptijd daarvan. Naar het hof begrijpt verwijst [appellante] hierbij naar artikel 349a lid 1 Fw waarin is bepaald dat de rechter de termijn van de wsnp – in afwijking van de ‘normale’ looptijd van anderhalf jaar – kan vaststellen op ten hoogste drieënhalf jaar. Gelet op de aard en de hoogte van de schulden ziet het hof geen aanleiding om [appellante] toe te laten tot de wsnp met een langere looptijd. Bovendien ziet het hof geen aanknopingspunten om aan te nemen, dat [appellante] op korte termijn wel zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wsnp nu zij nog steeds in een situatie verkeert die als te weinig (financieel) stabiel moet worden gekwalificeerd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis van rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 21 mei 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, D.M.I. De Waele en J.G.B. Pikkemaat, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.