De moeder is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee kinderen, geboren in 2021 en 2022, en gaat in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland. De kinderen zijn sinds 5 juli 2023 uit huis geplaatst en verblijven in een gezinshuis onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI).
De moeder erkent de uithuisplaatsing maar betwist het perspectiefbesluit van de GI, dat inhoudt dat terugplaatsing niet aan de orde is en dat haar rol in de opvoeding beperkt moet blijven. Zij voert aan dat zij positieve stappen heeft gezet in haar persoonlijke ontwikkeling en opvoedvaardigheden, ondersteund door behandelverslagen en uitgebreidere omgang met de kinderen. De GI en de raad voor de kinderbescherming handhaven echter het standpunt dat de moeder niet als hoofdopvoeder kan functioneren en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft vanwege de zorgbehoefte van de kinderen.
Het hof oordeelt dat het perspectiefbesluit geen wettelijke grondslag heeft en geen rechtsgevolgen voor de verlenging van de uithuisplaatsing. Omdat de uithuisplaatsing zelf niet ter discussie staat en noodzakelijk is, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het perspectiefbesluit. De beschikking van de kinderrechter wordt daarom bekrachtigd en het verzoek van de moeder tot verkorting van de machtiging wordt afgewezen.