De heffingsambtenaar van de gemeente Renkum stelde de WOZ-waarde van acht onroerende zaken vast per 1 januari 2020 en legde aanslagen onroerendezaakbelasting op voor 2021. Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen deze beschikkingen, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde vanwege het ontbreken van een uittreksel uit het handelsregister dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid bevestigt.
Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat ondanks verzoeken geen uittreksel uit het handelsregister was overgelegd, waardoor niet kon worden vastgesteld of de gemachtigde bevoegd was om namens belanghebbende op te treden. Het Hof bevestigde daarom de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Daarnaast werd een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat het beroep niet rechtsgeldig was ingesteld en het hoger beroep binnen de redelijke termijn werd behandeld. Het Hof wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, zonder proceskosten toe te kennen.