De heffingsambtenaar van de gemeente Lingewaard stelde de WOZ-waarde van vijf onroerende zaken voor 2022 vast en legde aanslagen onroerendezaakbelasting op. Belanghebbende maakte bezwaar via een gemachtigde, maar zonder geldige volmacht voor het betreffende jaar. De heffingsambtenaar verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een juiste volmacht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens het hoger beroep werd vastgesteld dat de ingediende volmacht slechts betrekking had op 2020 en niet op 2022, hetgeen ook werd bevestigd door een e-mail van belanghebbende.
Het gerechtshof oordeelde dat het verzuim niet was hersteld binnen de gestelde termijn en dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk waren verklaard. Tevens werd geoordeeld dat de redelijke termijn niet was overschreden, zodat geen vergoeding voor immateriële schade werd toegekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.