ECLI:NL:GHARL:2025:6040

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 oktober 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
21-002332-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens beschadigen en onbruikbaar maken van elektronische goederen met ISD-maatregel

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte, geboren in 1986, was eerder veroordeeld voor het beschadigen en onbruikbaar maken van verschillende elektronische goederen die toebehoorden aan een bedrijf. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 31 januari 2024 opzettelijk en wederrechtelijk een aantal goederen, waaronder een boormachine en mobiele telefoon, heeft vernield. De rechtbank had eerder een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd, welke het hof heeft bevestigd, maar met de overweging dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was. De advocaat-generaal had gevorderd tot bevestiging van de ISD-maatregel, terwijl de verdediging pleitte voor ontslag van rechtsvervolging op basis van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Het hof heeft echter geoordeeld dat de verdachte wel degelijk in staat was om de wederrechtelijkheid van haar daden te begrijpen, maar dat er sprake was van psychische problematiek. De ISD-maatregel werd als noodzakelijk beschouwd om recidive te voorkomen en de veiligheid van de maatschappij te waarborgen. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf werd afgewezen, omdat de ISD-maatregel als voldoende werd gezien.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002332-24
Uitspraakdatum: 2 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 21 mei 2024 met parketnummer 18-036668-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-048588-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres] ,
thans verblijvende in P.I. [locatie]

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 september 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. R. Oude Breuil, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 mei 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel), voor de duur van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 31 januari 2024, te [plaats 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een schep en/of een boormachine en/of een klauwhamer en/of slagpennen en/of een werkjas en/of een mobiele telefoon en/of werkhandschoenen en/of een bouwhelm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd ter zake van het tenlastegelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat, gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat zij een werkjas en werkhandschoenen heeft weggemaakt. Ter zake van het overige tenlastegelegde heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.
Oordeel van het hof
Op grond van de verklaring die verdachte terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en het proces-verbaal van aangifte van 31 januari 2024 acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het beschadigen, onbruikbaar maken en wegmaken van een boormachine, een klauwhamer, slagpennen, een werkjas, een mobiele telefoon, werkhandschoenen en een bouwhelm, toebehorend aan [bedrijf]

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, die later zullen worden uitgewerkt indien tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 31 januari 2024, te [plaats 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een schep en een boormachine en een klauwhamer en slagpennen en een werkjas en een mobiele telefoon en werkhandschoenen en een bouwhelm, die geheel aan [bedrijf] toebehoorden, heeft beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, onbruikbaar maken en/of wegmaken.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit verminderd toerekeningsvatbaarheid was.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij ten tijde van het tenlastegelegde feit volledig ontoerekeningsvatbaar was. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat verdachte kort na het tenlastegelegde feit verward gedrag vertoonde en dat het politieverhoor vroegtijdig werd afgebroken, omdat communicatie met verdachte niet mogelijk was.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit verminderd toerekeningsvatbaar was.
Oordeel van het hof
In het Nederlandse strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Een strafbaar feit kan daarom in beginsel aan de verdachte worden toegerekend. Daarop is echter een uitzondering. In artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.
Om (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen, moet voldaan worden aan drie vereisten. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. In de tweede plaats moet er een causaal of oorzakelijk verband bestaan tussen deze stoornis, aandoening of handicap en het tenlastegelegde feit. Ten slotte moet deze stoornis, aandoening of handicap zodanig zijn dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staat.
Wat betreft die laatste eis stelt het hof vast dat het tenlastegelegde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend indien verdachte door een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van dat tenlastegelegde feit niet kan begrijpen, dan wel verdachte niet in staat was om in overeenstemming met het besef dat het tenlastegelegde feit wederrechtelijk of moreel ongeoorloofd was, te handelen.
Toerekenbaarheid
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit heeft het hof acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken. Daaruit blijkt dat ten tijde van het bewezenverklaarde feit bij verdachte sprake was van psychische problematiek. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit de wederrechtelijk en de morele ongeoorloofdheid van het feit in het geheel niet heeft kunnen begrijpen, of niet in overeenstemming met het besef dat het bewezenverklaarde feit wederrechtelijk of moreel ongeoorloofd was, heeft kunnen handelen. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd, waaruit blijkt dat verdachte op de vraag van de politie wat er gisteren was gebeurd, heeft geantwoord:
“vernieling”.Ook heeft verdachte tijdens het verhoor verklaard:
“Spullen vernield door [verdachte] ”(
het hof begrijpt: verdachte). Naar het oordeel van het hof blijkt daaruit dat bij verdachte tenminste sprake is geweest van enige realiteitszin.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat ten tijde van het bewezenverklaarde feit bij verdachte sprake van was een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap en dat het feit haar in
verminderde matekan worden toegerekend. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om aanhouding van de zaak teneinde de mogelijkheid tot oplegging van een zorgmachtiging (opnieuw) te laten onderzoeken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het (medicatie)depot van verdachte vermoedelijk ten einde liep tijde van de opmaak van de eerdere rapportages, waardoor zij, mede vanwege het feit dat verdachte zich al geruime tijd in voorarrest bevond, niet bereid was mee te werken aan oplegging van een eventuele zorgmachtiging. Daar komt bij dat oplegging van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren niet in verhouding staat tot de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd bij een veroordeling wegens winkeldiefstal.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd, dan wel oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel.
Oordeel van het hof
De hierna op te leggen maatregel is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van het bewezenverklaarde
Verdachte heeft zich op 31 januari 2024 schuldig gemaakt aan het beschadigen, onbruikbaar maken en wegmaken van verscheidene (elektronische) goederen, door deze goederen - die zich in een kruiwagen op een bouwterrein bevonden en toebehoorden aan [bedrijf] - in het water te gooien. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer. Het hof rekent verdachte dit aan.
Persoon van verdachte
Het hof heeft bij de strafoplegging in strafverzwarende zin acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 20 augustus 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep door verdachte zelf en haar raadsman naar voren zijn gebracht.
Uit de rapportage van de reclassering van 4 september 2025 blijkt dat bij verdachte sprake is van een maatschappelijke teloorgang welke zijn intrede deed na het plotselinge overlijden van de moeder van verdachte in februari 2022. Vanaf begin 2022 komt verdachte veelvuldig in beeld bij politie en justitie: zij pleegt vermogensdelicten en veroorzaakt hinderlijke overlast in de binnenstad van [plaats 2] en omstreken. Verdachte staat sinds 1 mei 2023 op de veelplegerlijst. In deze periode zijn er meerdere trajecten ingezet, gericht op de verslavingsproblematiek van verdachte, haar psychische problematiek en gedragsproblemen, maar die hebben niet het gewenste resultaat gehad. Verdachte heeft ambulante en klinische behandeltrajecten zowel in een vrijwillig- als gedwongen kader doorlopen, maar blijft terugvallen in middelengebruik. De reclassering ziet risicofactoren op nagenoeg alle leefgebieden. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Omdat de reclassering geen mogelijkheden ziet voor het inzetten van interventies middels een voorwaardelijke veroordeling, adviseert zij tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Uit een in de fase van het hoger beroep opgemaakt onderzoek naar de mogelijkheden voor een zorgmachtiging voor verdachte, komt naar voren dat dit als niet doelmatig wordt gezien, omdat verwacht wordt dat verdachte zich zal onttrekken aan de zorg, terwijl een zorgmachtiging daarnaast, anders dan bij een ISD-maatregel, verdachte niet de mogelijkheid biedt om langere tijd te stabiliseren en haar vervolgens te begeleiden naar een passende woonomgeving.
Het hof stelt met de rechtbank vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor de oplegging van een ISD-maatregel stelt. Het door verdachte gepleegde feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 20 augustus 2025 blijkt dat zij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige feit tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast moet er blijkens voornoemd reclasseringsrapport ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan. Uit de beschikbare stukken blijkt tenslotte dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.
Verdachte blijft herhaaldelijk vervallen in crimineel gedrag. Tekenend hiervoor is dat verdachte tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis (wederom) is aangehouden op verdenking van het plegen van een winkeldiefstal. Oplegging van een ISD-maatregel is naar het oordeel van het hof derhalve noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van recidive.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Verzoek tot aanhouding
Het hof acht zich op basis van de voorhanden zijnde informatie voldoende voorgelicht omtrent de persoon van verdachte. Het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de zaak teneinde de mogelijkheid tot het opleggen van een zorgmachtiging te onderzoeken, wordt derhalve afgewezen nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 27 februari 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien dagen, parketnummer 18-048588-23. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling wordt afgewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om conform het standpunt van de advocaat-generaal te beslissen.
Oordeel van het hof
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarmee is de vordering tot tenuitvoerlegging in beginsel toewijsbaar. Nu aan verdachte een ISD-maatregel zal worden opgelegd, acht het hof toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging thans niet opportuun. Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging derhalve afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
2 (twee) jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Noord-Nederland van 12 april 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 februari 2023, parketnummer 18-048588-23, voorwaardelijk opgelegde een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) dagen.
Aldus gewezen door
mr. T.H. Bosma, voorzitter,
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,
en op 2 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.