ECLI:NL:GHARL:2025:634

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
21-004886-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 onder B OpiumwetArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De rechtbank had het voordeel vastgesteld op €502.318,07 en de betalingsverplichting op €498.498,07. Het hof stelde het voordeel vast op €267.909,01, lager vanwege reeds voldane bedragen door medeverdachten.

De verdediging voerde aan dat het voordeel van medeverdachten in mindering moest worden gebracht en dat een gelijke verdeling van het voordeel tussen de betrokkenen moest gelden. Het hof verwierp deze stellingen, stellende dat in de berekening reeds rekening was gehouden met het voordeel van medeverdachten en dat er geen aanwijzingen waren voor een gelijke verdeling.

Daarnaast werd het draagkrachtverweer van de betrokkene afgewezen, ondanks zijn slechte gezondheid en hoge leeftijd, omdat hij over diverse vermogensbestanddelen beschikt die aanspreekbaar zijn voor de betalingsverplichting. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en legde de betalingsverplichting vast op het genoemde bedrag.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ontnemingsvordering van €267.909,01 en wijst het draagkrachtverweer af.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004886-21
Uitspraak d.d.: 7 februari 2025
Tegenspraak
Ontnemingszaak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 9 november 2021 met het parketnummer 18-950022-19, op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, inzake

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1946,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna te noemen: de betrokkene.

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 24 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, alsmede diens betalingsverplichting aan de staat, zal vaststellen op een bedrag van
€ 267.909,01. Dit bedrag is lager dan in eerste aanleg gevorderd, omdat nadien gebleken is dat de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] inmiddels betalingsverplichtingen in verband met wederrechtelijk verkregen voordeel hebben voldaan.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman, mr. C.J. Nierop, is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep.

De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht

Bij de hierboven genoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vastgesteld op een bedrag van € 502.318,07. De rechtbank heeft vervolgens de betalingsverplichting van de betrokkene aan de staat, in lijn met de ontnemingsvordering, vastgesteld op een bedrag van € 498.498,07. De duur van de gijzeling is daarbij bepaald op drie jaren.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het gerechtshof zal de beslissing echter bevestigen met aanvulling van gronden, onder meer in respons op hetgeen de verdediging en de advocaat-generaal in hoger beroep hebben aangevoerd.
Het gerechtshof overweegt hiertoe als volgt.
Grondslag van de beslissing tot ontneming
De rechtbank heeft de betrokkene bij vonnis van 2 november 2021 in de strafzaak met het
parketnummer 18-950022-19 veroordeeld ter zake van - onder meer - het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel
3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld, waarop is beslist door dit gerechtshof bij arrest van 7 februari 2025. Bij dat arrest is de betrokkene - kort gezegd - onder andere veroordeeld ter zake van de hierboven genoemde hennepteelt.
Verweren van de verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is vastgesteld in de ontnemingszaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene.
Naar het oordeel van het gerechtshof miskent de verdediging hiermee dat in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’, dat door de politie is opgesteld, reeds rekening is gehouden met het - afzonderlijke - wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het door hun samen genoten voordeel, dat is geschat op
€ 140.000,-, is al van de onderhavige netto berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgetrokken en niet toegeschreven aan de betrokkene. In de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene ad € 502.318,07 gaat het dan ook puur om
zijn eigenwederrechtelijk verkregen voordeel.
Om dezelfde reden zal het gerechtshof het standpunt van de advocaat-generaal niet volgen, dat de betalingsverplichting moet worden verminderd met het reeds door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voldane bedrag.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging tevens aangevoerd dat een ponds-ponds-gewijze verdeling van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel gehanteerd dient te worden. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] het in het verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft gehad over een gelijke verdeling van de opbrengst uit de hennepteelt onder hemzelf, [medeverdachte 2] en betrokkene.
Voor een ponds-ponds-gewijze verdeling ziet het gerechtshof echter geen aanknopingspunten in het dossier. Integendeel: in zijn verhoor bij de politie heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij een paar duizend euro per oogst heeft gekregen.
Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard ongeveer € 20.000,- per oogst te hebben ontvangen. De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie ook verklaard over een vergoeding van € 20.000,- per oogst.
Dat duidt naar het oordeel van het gerechtshof op een vaste vergoeding voor [medeverdachte 1] en of [medeverdachte 2] , die geheel onafhankelijk is van de beduidend hogere totaalopbrengst per hennepoogst.
Met betrekking tot het in hoger beroep door de verdediging gevoerde draagkrachtverweer overweegt het gerechtshof het volgende.
De verdediging heeft aangevoerd dat de betrokkene in een dermate slechte gezondheid verkeert dat het hem - mede gelet op zijn hoge leeftijd - geheel zal ontbreken aan enige verdiencapaciteit. Verzocht is om de draagkracht van de betrokkene daarom op nihil te stellen.
Het gerechtshof wil aannemen dat het de betrokkene op de aangevoerde gronden ontbreekt aan een reëel perspectief op verdiencapaciteit. Daartegenover staat echter wél de vermogenspositie van de betrokkene, waaraan hij betaalcapaciteit kan ontlenen.
Het gerechtshof wijst er in dit kader op dat de betrokkene beschikt over een huis in [geboorteland] , waarvan hij stelt dat hij voor de helft eigenaar is, en dat hij de afgelopen jaren in [geboorteland] heeft beschikt over een bankrekening met een saldo van € 66.000,-. Daarnaast heeft de betrokkene drie stukken grond in [geboorteland] in bezit, die volgens hem op dit moment te koop aangeboden worden en ligt er beslag op een geldsom van € 16.000,-, welk geld contant bij hem is aangetroffen. Verder ligt er beslag op de woning van de betrokkene in Nederland, terwijl die woning een overwaarde heeft. Onduidelijk is wat de exacte vermogenspositie van de betrokkene is, maar duidelijk is wél dat er diverse vermogenscomponenten aanwezig zijn die de betrokkene kan aanspreken ter zake van zijn betalingsverplichting aan de staat.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het draagkrachtverweer van de betrokkene en de verdediging.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. M.C. van Linde, voorzitter,
mr. Z.J. Oosting en mr. R. Godthelp, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 7 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.