De zaak betreft het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant die hem niet-ontvankelijk verklaarde in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege. De rechtbank oordeelde dat de vordering te vroeg was ingediend.
Het hof stelt dat de officier van justitie terecht vooruitliep op een mogelijke verlenging door het hof en daardoor tijdig de vordering indiende. De rechtbank had de behandeling moeten schorsen in afwachting van het hof, maar verklaarde de officier van justitie onterecht niet-ontvankelijk zonder de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman te horen.
Het hof vernietigt daarom de beslissing van de rechtbank en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk. Op grond van het PBC-rapport en andere stukken is vastgesteld dat de terbeschikkinggestelde een licht verstandelijke beperking en een persoonlijkheidsstoornis heeft, met een hoog risico op herhaling van ernstige delicten.
Gezien deze stoornis en het recidivegevaar verlengt het hof de TBS-maatregel met verpleging met een termijn van twee jaar, omdat het behandel- en resocialisatietraject meer tijd zal vergen dan een verlenging van één jaar. De beslissing is op 4 september 2025 in het openbaar uitgesproken.