Uitspraak
1.[appellante1]
[appellante2]
[appellanten] ,
[geïntimeerde],
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het arrest van 13 augustus 2024 waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald;
- het proces-verbaal van die mondelinge behandeling van 11 november 2024;
- de memorie van grieven van 11 februari 2025;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van 22 april 2025;
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van 3 juni 2025;
- een akte van 29 juli 2025 van [appellanten] ;
- een antwoordakte van 26 augustus 2025 van [geïntimeerde] .
De kern van de zaak
3.De feiten
4.Het oordeel van de rechtbank
5.De toelichting op de beslissing van het hof
in te staan” van artikel 6.3 niet geldt voor zover het geconstateerde gebrek valt onder de gebreken waarvoor geëxonereerd wordt in artikel 20. [1] Dat houdt echter niet in dat artikel 6.3 geen enkele betekenis meer toekomt. De rechtbank heeft haar oordeel dat de rioleringsproblemen voor rekening komen van [geïntimeerde] erop gebaseerd dat [geïntimeerde] van deze problematiek geweten moet hebben en daarvan ten onrechte geen melding heeft gemaakt bij de bezichtigingen voorafgaande aan de totstandkoming van de koopovereenkomst. Die motivering is door [geïntimeerde] niet aangevochten. Het hof oordeelt dat de exoneratie van artikel 20 niet Pro zover strekt dat die de mededelingsplicht van de verkoper opzijzet om melding te maken van bij hem bekende gebreken die aan het normaal gebruik van de woning in de weg staan.