In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was in een eerdere procedure vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen.
Het hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming, omdat de vrijspraak van witwassen betekent dat er geen grondslag bestaat voor het opleggen van een betalingsverplichting aan de staat. Hierdoor vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht.
Tijdens de terechtzitting op 30 september 2025 en de openbare uitspraak op 14 oktober 2025 heeft het hof kennisgenomen van de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging. De raadsheren oordeelden dat de vordering tot ontneming niet kan worden toegewezen zonder een veroordeling voor het onderliggende strafbare feit.
De beslissing van het hof betekent dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarmee de procedure in dit onderdeel wordt beëindigd.