ECLI:NL:GHARL:2025:6489

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
200.352.609/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:377e BWArt. 810a lid 1 en 2 RvArt. 194 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en ontzegging omgang vader met kinderen wegens zwaarwegende belangen kind

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland die het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen beëindigde en het omgangsrecht van de vader ontzegde. De moeder oefent sindsdien het gezag uit en de kinderen wonen bij haar.

De vader verzocht om herstel van omgang onder begeleiding en het behoud van het gezamenlijk gezag, terwijl de moeder verweer voerde en bekrachtiging van de bestreden beschikking verlangde. Het hof hield gesprekken met de minderjarige kinderen, die beiden geen contact met de vader wensen.

Het hof oordeelde dat het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen in het belang van de kinderen is beëindigd en aan de moeder is toegekend. Omgang met de vader is ontzegd omdat dit ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen. Een onafhankelijk deskundigenonderzoek werd afgewezen vanwege het ontbreken van een juridische grondslag en het belang van de kinderen.

De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontzegging van omgang en beëindigt het gezamenlijk gezag ten gunste van de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.352.609
zaaknummer rechtbank Gelderland 440173
beschikking van 21 oktober 2025
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.A.N. Lap,
en
[verweerster],
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: de bestreden beschikking).

2.2. Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 maart 2025;
- het verweerschrift, en
- een journaalbericht van mr. Gerrits van 5 september 2025, met producties.
2.2
Op 15 september 2025 zijn [de meerderjarige1] , [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen en de GI, met een raadsheer en de griffier hebben gesproken.
2.3
De zitting was op 16 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat, en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van:
- [de meerderjarige1] , geboren [in] 2007 in [woonplaats1] (verder: [de meerderjarige1] );
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2011 in [woonplaats1] (verder: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 te [woonplaats1] (verder: [de minderjarige2] ).
3.2
De vader en de moeder hadden tot de bestreden beschikking samen het ouderlijk gezag over [de meerderjarige1] en [de minderjarige1] . De moeder heeft het gezag over [de minderjarige2] . [de meerderjarige1] , [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder.
3.3
Bij beschikking van 2 september 2020 is als zorg-/omgangsregeling vastgesteld dat de kinderen omgang hebben met de vader op een wijze te bepalen door en onder regie van de G1 waarbij de aard, de frequentie, de duur van de contacten en de wijze van begeleiding worden bepaald door de gezinsvoogd. Bij beschikking van dit hof van 29 juni 2021 is de beschikking van 2 september 2020 bekrachtigd ten aanzien van de omgang.
3.3
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] stonden tot 26 februari 2025 onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van dit hof van 29 juni 2021 gewijzigd in die zin dat aan de vader het recht op omgang met de kinderen wordt ontzegd en het gezamenlijk gezag van de ouders is beëindigd zodat het gezag over [de meerderjarige1] en [de minderjarige1] wordt uitgeoefend door de moeder. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grieven beoogt hij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.
De vader verzoekt die beschikking te vernietigen en:
a.
Primair: een onafhankelijke deskundige te benoemen met het verzoek om
onderzoek te verrichten ter beantwoording van de volgende vragen:
• Hebben de kinderen trauma's en in hoeverre staan deze trauma's in relatie tot het contactherstel met de vader?
• Is er sprake van externe omstandigheden die het contactherstel belemmeren, bijvoorbeeld invloed van moeder, familie of hulpverlening?
• Welke mogelijkheden zijn er tot contactherstel tussen de vader en de kinderen?
• Indien contactherstel kan plaatsvinden, wat is er nodig om het contactherstel te laten plaatsvinden?
• Indien geen contactherstel kan plaatsvinden, welke alternatieven kunnen dan ingezet worden om de band tussen de vader en de kinderen te behouden?
dan wel om antwoord te geven op vragen die het hof in het belang van deze procedure acht.
Subsidiair: een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te gelasten waarbij dezelfde vragen worden voorgelegd;
b. te bepalen dat het contact tussen de vader, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met in achtneming van het oordeel van de onafhankelijke deskundige zal worden hersteld onder begeleiding van een onafhankelijke hulpverlenende instantie, waarbij wordt toegewerkt naar een reguliere omgangsregeling die in het belang is van de vader en de kinderen.
c. het verzoek van de moeder ten aanzien van het beëindigen van het gezamenlijk
ouderlijk gezag over [de meerderjarige1] en [de minderjarige1] af te wijzen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader het hof gevraagd om, als het hof zijn verzoeken afwijst, de gronden waarop de beslissing rust tot het ontzeggen van omgang, te verbeteren.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de door de vader opgeworpen grieven af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Ze verzoekt te bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dienen te dragen.

5.De motivering van de beslissing

Gezag over [de meerderjarige1] en [de minderjarige1] (grief IV)
5.1
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
[de meerderjarige1] is [in] 2025 meerderjarig geworden. Dat betekent dat de vader geen belang meer heeft bij zijn verzoek voor zover dat ziet op het gezag over [de meerderjarige1] . Het hof zal dat verzoek afwijzen.
5.3
Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een nieuwe beoordeling van het verzoek over het gezag over [de minderjarige1] mogelijk maakt.
5.4
Naar het oordeel van het hof is wijziging van het gezag, in die zin dat de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag, in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen. Het hof overweegt daarbij het volgende.
5.5
Voor een goede invulling van het gezamenlijk gezag is het nodig dat de vader in staat is samen met de moeder belangrijke beslissingen te nemen over [de minderjarige1] en dat hij verantwoordelijkheid kan dragen voor haar opvoeding en verzorging . Daarvoor is het noodzakelijk dat de vader weet wat er in het leven van [de minderjarige1] speelt en wat [de minderjarige1] nodig heeft, zodat hij daarbij kan aansluiten. De vader is op dit moment al vijf jaar niet meer betrokken bij het leven van [de minderjarige1] . De moeder is in 2020 met de drie kinderen bij de vader weggegaan en sindsdien is er geen contact meer geweest tussen de vader en de kinderen, ondanks pogingen daartoe van de vader. De vader heeft daardoor op geen enkele wijze zicht op het leven van [de minderjarige1] en neemt ook geen deel aan de verzorging en opvoeding.
Daarnaast is de situatie tussen de ouders zodanig dat zij niet met elkaar kunnen overleggen over belangrijke beslissingen die gaan over [de minderjarige1] . De verhouding tussen de ouders is ernstig verstoord geraakt en er is geen enkel contact meer tussen hen. De moeder zegt dat zij bang is voor de vader en niet wil en kan overleggen met hem. De afgelopen vijf jaar heeft de gezinsvoogd die bij de kinderen betrokken was, de communicatie tussen de ouders verzorgd. Gelet op deze feiten en omstandigheden verwacht het hof niet dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in deze situatie komt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover het de beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige1] betreft.
Omgangsregeling (grieven I en II) en deskundigenonderzoek (grief III en III)
5.6
In artikel 1:377e BW staat dat de rechter op verzoek van (één van) de ouders een beslissing over de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.7
In artikel 1:377a lid 3 BW staat dat de rechter het recht op omgang aan slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.8
De vader stelt dat hij door de rechtbank ten onrechte kennelijk ongeschikt is geacht voor omgang. De vader is van mening dat hij juist uiterst zorgvuldig is geweest in zijn verzoek omdat hij niet aan de belangen van de kinderen voorbij wil gaan. Alleen als uit het door de vader verzochte onafhankelijke onderzoek zou blijken dat er mogelijkheden zijn voor contact, wil hij dat wordt geprobeerd het contact te herstellen. De vader wordt al jaren ten onrechte gezien als de veroorzaker van trauma’s bij de kinderen. Hij wordt beschuldigd van het plegen van huiselijk geweld en seksueel misbruik van de moeder en de kinderen. Maar het is het verhaal van de moeder tegenover dat van de vader. De vader is nooit voor de door de moeder gestelde gedragingen veroordeeld en kan daar dan ook niet verantwoordelijk worden gehouden, aldus de vader.
5.9
De moeder verzet zich tegen het door de vader verzochte onderzoek omdat een dergelijk onderzoek volgens haar niet in het belang van de kinderen is. Bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is sprake van trauma en een onderzoek is een te zware belasting voor hen. De vader ontkent nog steeds de beschuldigingen. Het feit dat hij blijft verzoeken om een onderzoek naar contactherstel laat zien dat de vader volledig voorbijgaat aan de belangen van de kinderen. Het is terecht dat de vader wordt gezien als de veroorzaker van het trauma bij de kinderen dan wel dat hij een belangrijk aandeel heeft in hun problematiek. Niet de rechtbank heeft dit vastgesteld maar de therapeuten van de kinderen, aldus de moeder. In de afgelopen jaren is voldoende onderzocht of er mogelijkheden zijn voor herstel van het contact. Deze zijn er niet, aldus de moeder.
5.1
Op grond van de stukken en wat op de zitting aan de orde is gekomen, is het hof van oordeel dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof neemt voor zijn beslissing niet de door de rechtbank genoemde grond ‘kennelijke ongeschiktheid’ over.
Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.
[in] 2020 is de moeder met de kinderen uit de echtelijke woning vertrokken, zonder de vader daarvan in kennis te stellen. De moeder stelt dat de vader, toen zij nog een gezin vormden, huiselijk geweld en seksueel misbruik heeft gepleegd en dat de kinderen daardoor getraumatiseerd zijn geraakt. De vader heeft de beschuldigingen altijd ontkend.
De kinderen hebben de vader [sinds] 2020 niet meer gezien, ondanks pogingen van de vader daartoe. In het kader van de ondertoezichtstelling van de kinderen is onderzocht of contactherstel mogelijk is maar vanuit de hulpverlening van de kinderen is daarop negatief geadviseerd. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben hulpverlening gekregen gericht op traumaverwerking en in verband met ontwikkelingsbedreigingen. Over [de minderjarige1] bestonden ernstige zorgen en er is vastgesteld dat zij is getraumatiseerd. Haar systeemtherapeut verwacht een totale ontregeling bij [de minderjarige1] wanneer zou worden besloten tot contactherstel. Bij [de minderjarige2] is sprake van secundair trauma. De bij [de minderjarige2] betrokken systeemtherapeut verwacht dat toewerken naar contact met de vader zijn ontwikkeling in gevaar zal brengen.
Niet is komen vast te staan of destijds in de gezinssituatie van de ouders en de kinderen daadwerkelijk sprake is geweest van huiselijk geweld en seksueel misbruik. Aangiftes van de beschuldigingen ontbreken in het dossier waarover het hof beschikt en de vader is niet veroordeeld door een strafrechter. [de minderjarige1] heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door de vader, maar de zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
Maar het antwoord op de vraag waardoor de kinderen getraumatiseerd zijn, kan naar het oordeel van het hof in het midden worden gelaten. Het staat namelijk vast dat bij beide kinderen op dit moment geen enkele ruimte bestaat voor omgang met de vader. [de minderjarige1] , die inmiddels 14 jaar is, wil geen contact met de vader en is consequent in die stelling. Ook tijdens het gesprek dat zij met het hof heeft gevoerd, heeft zij kenbaar gemaakt dat zij op dit moment absoluut geen contact met de vader wil. Weliswaar dient de rechter al het mogelijke te doen om te bewerkstelligen dat een omgangsregeling tot stand wordt gebracht, maar in het onderhavige geval acht het hof dit niet aan de orde, omdat [de minderjarige1] , door haar leeftijd en haar kwetsbaarheid, niet gedwongen kan worden een omgangsregeling met de vader na te komen. [de minderjarige2] heeft in het gesprek met het hof ook gezegd dat hij geen contact wil met de vader. Hoewel [de minderjarige2] nog maar 10 jaar is, ziet het hof ook bij hem geen ruimte voor enige vorm van contact met de vader. Daarnaast verwacht het hof dat, als bij [de minderjarige2] al ruimte zou bestaan voor contactherstel, het gezin waarvan [de minderjarige2] deel uitmaakt niet in staat is om dat contact op een positieve wijze te stimuleren en ondersteunen.
Het hof zal het verzoek van de vader, voor zover dat ziet op het vaststellen van een omgangsregeling, daarom afwijzen.
5.11
Het hof zal het verzoek van de vader om te bepalen dat een onderzoek door een onafhankelijk deskundige dient plaats te vinden, ook afwijzen.
Het hof overweegt daarbij dat een juridische grondslag voor een dergelijk onderzoek ontbreekt. Artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat ziet op (het recht op contra-expertise bij) maatregelen van jeugdbescherming is hier niet aan de orde nu het in deze zaak gaat om een geschil tussen de ouders. Daarnaast is inmiddels geen sprake meer van een jeugdbeschermingsmaatregel. In het eerste lid van artikel 810a Rv is bepaald dat de rechter pas beslist nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld om een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen. Dat heeft de vader niet verzocht. Hij heeft niet verzocht om een rapport van een, bij naam genoemde, deskundige over te mogen leggen.
Het verzoek zou nog kunnen zijn gebaseerd op het algemene artikel 194 Rv Pro dat gaat over het gebruik van deskundigen in het kader van voorlichting en bewijs, en dat ook van toepassing is bij verzoekschriftprocedures. Maar daarover overweegt het hof dat het zich voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen en ziet het hof geen aanleiding voor een onderzoek. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen over mogelijkheden voor omgang, ziet het hof geen aanleiding om in dit stadium een onderzoek te gelasten en een deskundige te benoemen. Er is al veel hulpverlening voor de kinderen geweest gericht op het tot stand brengen van contact tussen de vader en de kinderen en dit heeft tot niets geleid. De kinderen lijken verhard in hun mening om hun vader niet te willen zien en geen enkele vorm van omgang met hem te willen. Het hof ziet onder die omstandigheden geen reden voor een onderzoek door een onafhankelijk deskundige. Daarbij komt dat een dergelijk onderzoek, waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook betrokken worden, tot onrust bij hen zal leiden, hetgeen niet in hun belang is.
Ook het verzoek van de vader om te bepalen dat de raad onderzoek moet doen, zal het hof afwijzen. De raad heeft namelijk op de zitting geadviseerd dat verzoek af te wijzen omdat een nieuw raadsonderzoek, gelet op alle hulp die al is ingezet, geen verandering in de huidige situatie zal brengen. Het hof volgt dat advies.

6.De slotsom

6.1
Op grond van wat hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
6.3
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat betekent dat beide ouders de eigen kosten betalen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van
4 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, E. de Boer en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers en is op 21 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.