Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.2. Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
De vader verzoekt die beschikking te vernietigen en:
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader het hof gevraagd om, als het hof zijn verzoeken afwijst, de gronden waarop de beslissing rust tot het ontzeggen van omgang, te verbeteren.
5.De motivering van de beslissing
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Maar het antwoord op de vraag waardoor de kinderen getraumatiseerd zijn, kan naar het oordeel van het hof in het midden worden gelaten. Het staat namelijk vast dat bij beide kinderen op dit moment geen enkele ruimte bestaat voor omgang met de vader. [de minderjarige1] , die inmiddels 14 jaar is, wil geen contact met de vader en is consequent in die stelling. Ook tijdens het gesprek dat zij met het hof heeft gevoerd, heeft zij kenbaar gemaakt dat zij op dit moment absoluut geen contact met de vader wil. Weliswaar dient de rechter al het mogelijke te doen om te bewerkstelligen dat een omgangsregeling tot stand wordt gebracht, maar in het onderhavige geval acht het hof dit niet aan de orde, omdat [de minderjarige1] , door haar leeftijd en haar kwetsbaarheid, niet gedwongen kan worden een omgangsregeling met de vader na te komen. [de minderjarige2] heeft in het gesprek met het hof ook gezegd dat hij geen contact wil met de vader. Hoewel [de minderjarige2] nog maar 10 jaar is, ziet het hof ook bij hem geen ruimte voor enige vorm van contact met de vader. Daarnaast verwacht het hof dat, als bij [de minderjarige2] al ruimte zou bestaan voor contactherstel, het gezin waarvan [de minderjarige2] deel uitmaakt niet in staat is om dat contact op een positieve wijze te stimuleren en ondersteunen.