De kinderrechter in de rechtbank Gelderland verleende op 25 oktober 2024 een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun oma voor drie maanden, verlengd tot 27 oktober 2025 met verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De ouders gingen in hoger beroep tegen deze beslissing, stellende dat de machtiging ongedaan gemaakt of verkort moest worden. De gecertificeerde instelling (GI) wilde de machtiging in stand houden. Tijdens de procedure sprak het hof met een van de kinderen en hield een zitting waarbij ook de ouders, hun advocaat, vertegenwoordigers van de GI en de oma aanwezig waren.
Het hof concludeert dat de gronden voor uithuisplaatsing tot begin september 2025 aanwezig waren, maar dat sinds de kinderen met instemming van de GI weer thuis wonen, deze gronden niet meer bestaan. Daarom vernietigt het hof de machtiging met ingang van de thuisplaatsing en wijst het overige verzoek af. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.