ECLI:NL:GHARL:2025:6644

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
Wahv 200.353.969/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 WahvArt. 13a Wahv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging sanctie wegens overschrijding redelijke termijn bij vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden

De betrokkene kreeg een sanctie van €350 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 7 februari 2023 op de A2 in Boxtel. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de redelijke termijn van berechting was overschreden en dat dit gevolgen moest hebben voor de sanctie. Het hof constateerde dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, inderdaad was overschreden; de beschikking werd op 24 februari 2023 verzonden en de kantonrechter deed pas uitspraak op 25 februari 2025.

Hoewel de overschrijding slechts één dag bedroeg, oordeelde het hof dat hieraan wel degelijk rechtsgevolgen verbonden moesten worden. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en matigde de sanctie met 25%. Tevens werden de proceskosten in zowel eerste aanleg als hoger beroep toegewezen aan de betrokkene, waarbij een bedrag van €566,88 werd vastgesteld.

Uitkomst: De sanctie wordt met 25% gematigd en de proceskosten worden aan de betrokkene vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.353.969/01
CJIB-nummer
: 255820953
Uitspraak d.d.
: 27 oktober 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 25 februari 2025, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats]
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 februari 2023 om 11:32 uur op de A2 in Boxtel met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte geen rechtsgevolg heeft verbonden aan de schending van de redelijke termijn. De beslissing van de kantonrechter komt voor vernietiging in aanmerking, aldus de gemachtigde.
3. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 24 februari 2023 verzonden en de kantonrechter heeft eerst op 25 februari 2025 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist.
4. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie niet gematigd maar heeft volstaan met de constatering dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de redelijke termijn slechts met één dag is overschreden.
5. Deze omstandigheid brengt niet mee dat er geen reden is om aan de overschrijding van de redelijke termijn niet het in het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369, genoemde gevolg te verbinden.
6. De beslissing van de kantonrechter kan niet in stand blijven. Het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen en het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent.
7. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient in totaal één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie is bekendgemaakt voor
1 januari 2024, past het hof op deze proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe.
8. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift wordt één punt toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het bepaalde in het arrest van dit hof van 11 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5551), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25.
9. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 566,88 (= (1 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 262,50.
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 566,88.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.