Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:6649

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
200.360.076
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis toevertrouwing en zorgregeling minderjarige na overeenstemming ouders

De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder over de toevertrouwing en zorgregeling van hun minderjarige kind, geboren in 2025. De voorzieningenrechter had de minderjarige aan de moeder toevertrouwd en een omgangsregeling met de vader vastgesteld, waarbij het kind bij oma verblijft. De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om voorlopige toevertrouwing aan hem of een alternatieve zorgregeling.

De moeder kwam eveneens in hoger beroep tegen het ontbreken van een dwangsom en machtiging van de sterke arm bij niet-nakoming door de vader. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof was ook een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig, die een spoedonderzoek aankondigde en het belang van overdracht aan de moeder benadrukte.

Na overleg tijdens een schorsing bereikten de ouders een akkoord over de overdracht van de minderjarige aan de moeder en de uitvoering van de omgangsregeling zoals vastgesteld door de voorzieningenrechter. De moeder trok haar verzoek om dwangsom in en de proceskosten worden gecompenseerd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, machtigt de moeder tot tenuitvoerlegging met de sterke arm en bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en machtigt de moeder tot tenuitvoerlegging met de sterke arm, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.076
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 598774
arrest in kort geding van 14 oktober 2025
in de zaak van
[Verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. H.E. Brokers-van Dijk
en
[Verweerster] (de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. S. Klootwijk

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 9 oktober 2025 met grieven en producties
  • een journaalbericht van mr. Brokers-van Dijk van 10 oktober 2025 met producties
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
1.2.
Op 14 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Aanwezig waren de vader en de moeder bijgestaan door hun advocaten en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
De vader heeft verzocht om oma vaderszijde (hierna: oma) bijzondere toegang te verlenen. Dit verzoek heeft het hof afgewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2025 in [woonplaats3] . De vader en de moeder hebben beiden het gezag over [de minderjarige] .
De ouders hebben samengewoond. Sinds juli 2025 verblijft [de minderjarige] bij oma. De vader is kort daarna ook bij oma gaan wonen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 25 september 2025 [de minderjarige] aan de moeder toevertrouwd en de vader veroordeeld om [de minderjarige] binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan de moeder af te geven. Verder heeft de voorzieningenrechter als zorgregeling met de vader bepaald dat [de minderjarige] de ene week op vrijdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en de andere week van vrijdag 19.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur omgang met de vader heeft bij oma thuis. Oma haalt en brengt [de minderjarige] totdat de moeder weer mag autorijden. Vanaf dan zal de moeder de helft van het halen en brengen voor haar rekening nemen.
2.3.
De vader is het niet eens met de beslissing van de voorzieningenrechter en komt daarom in hoger beroep. Hij vraagt het hof [de minderjarige] voorlopig aan hem toe te vertrouwen en indien [de minderjarige] toch voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd te bepalen dat [de minderjarige] de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijft, waarbij op zondag om 14.00 uur gewisseld wordt en de moeder [de minderjarige] de ene week naar de vader brengt en oma vaderszijde [de minderjarige] de andere week naar de moeder brengt.
2.4.
De moeder voert verweer tegen de vorderingen van de vader en vraagt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn vorderingen af te wijzen.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de voorzieningenrechter om geen dwangsom of sterke arm op te leggen voor de situatie dat de vader niet meewerkt aan de uitvoering van de beslissing en zij komt daarom ook in hoger beroep. Zij vraagt het hof alsnog te bepalen dat de vader bij niet nakoming van de beslissing van de voorzieningenrechter een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag, tot een maximum van € 60.000 en haar te machtigen om de tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm van justitie en politie te bewerkstelligen, indien de vader niet meewerkt.
Indien [de minderjarige] door het hof niet aan haar wordt toevertrouwd dan vordert de moeder subsidiair een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] iedere week van vrijdag 19.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij haar verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] bij haar zal brengen en ophalen. Tot slot vordert de moeder de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.5
De vader heeft op de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen hetgeen de moeder in incidenteel hoger beroep gevorderd heeft.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Omdat deze procedure gaat over de toevertrouwing van [de minderjarige] aan de moeder en de moeder sinds eind augustus geen contact meer heeft gehad met [de minderjarige] is het spoedeisend belang een gegeven.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vertegenwoordiger van de raad verklaard dat de raad een onderzoek gaat verrichten in de door de moeder aanhangig gemaakte procedure bij de rechtbank en geadviseerd [de minderjarige] vandaag nog over te dragen aan de moeder. Een kind heeft beide ouders nodig en het is heel schadelijk dat de moeder [de minderjarige] al lange tijd niet heeft gezien. De raad zal zorgen dat er direct ambulante spoedhulp bij de moeder wordt ingezet voor een periode van vier weken. Daarmee is de veiligheid van [de minderjarige] bij de moeder geborgd en kan zicht op de situatie bij de moeder worden verkregen. Verder is het belangrijk dat de ouders zich beiden bij de gemeente aanmelden om een NIKA-traject te volgen. Zij moeten leren hoe zij goed kunnen aansluiten bij de behoeften van [de minderjarige] .
3.3.
Na onderling overleg tijdens schorsing van de mondelinge behandeling hebben de ouders het hof meegedeeld dat zij tot overeenstemming zijn gekomen. Zij hebben het volgende afgesproken:
- De vader en oma zullen vandaag om 16.00 naar de moeder reizen met [de minderjarige] . De verwachting is dat zij [de minderjarige] rond 17.00 uur kunnen overdragen aan de moeder. Oma zal daarbij een zorgschema aan de moeder geven waarin wordt beschreven wat [de minderjarige] op dit moment gewend is qua verzorging en opvoeding;
- De ouders zullen de zorgregeling met de vader die de voorzieningenrechter heeft vastgesteld gaan uitvoeren. Op vrijdag 17 oktober 2025 wordt de regeling van één dag voor het eerst uitgevoerd en op 24 oktober 2025 wordt de weekendregeling voor het eerst uitgevoerd, daarbij zal de moeder [de minderjarige] steeds naar vader bij oma brengen en vader of oma zal [de minderjarige] steeds weer naar de moeder terugbrengen;
- Verder zal de moeder de ID-kaart van de vader vanmiddag aan de vader afgeven.
De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat het verzoek van de moeder over de dwangsom wordt ingetrokken en dat de proceskosten kunnen worden gecompenseerd.
3.4.
Het hof zal, gelet op de afspraken tussen partijen, het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen. Daarbij zal het hof (voor zover nodig) de moeder machtigen om de tenuitvoerlegging van dat vonnis te bewerkstelligen met de sterke arm van politie en justitie. Tot slot zal het hof de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 25 september 2025;
4.2.
machtigt de moeder om de ten uitvoerlegging van het hierbij bekrachtigde vonnis van de voorzieningenrechter met de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen;
4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure in hoger beroep draagt;
4.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en K.A.M. van Os-ten Have, en is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.