Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het doden van een hond door de voorpoten met tiewraps vast te binden en het dier vervolgens in het water te gooien, waardoor het verdronk. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht.
Tijdens het onderzoek en de terechtzittingen werd vastgesteld dat verdachte bij de politie had bekend de hond op deze wijze te hebben gedood, hoewel hij dit in hoger beroep ontkende en een medeverdachte aanwees. Het hof achtte de verklaring van verdachte niet geloofwaardig en baseerde het oordeel op wettig en overtuigend bewijs.
De advocaat-generaal had een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd, terwijl verdachte medische klachten aanvoerde maar deze niet onderbouwde. Gezien de ernst van het feit en het gebrek aan spijt legde het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep werd de straf gematigd van zes naar vijf maanden gevangenisstraf. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.
Het arrest werd uitgesproken door mr. H. Heins, mr. K.J.C. Geeve en mr. M.C.J. Groothuizen op 29 oktober 2025.