ECLI:NL:GHARL:2025:6684

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
21-000303-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 lid 6 Wet DierenArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van nalaten hulp aan hulpbehoevend dier

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is verdachte vrijgesproken van het niet verlenen van de nodige zorg aan een hulpbehoevend dier, een hond. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf, maar het hof vernietigde dit vonnis wegens een andere bewijswaardering.

Uit het onderzoek en de getuigenverklaringen bleek onvoldoende overtuigend dat verdachte daadwerkelijk de gelegenheid had om te voorkomen dat de hond werd mishandeld en gedood. De medeverdachte verklaarde wisselend over de rol van verdachte bij het vastbinden en in het water gooien van de hond. Verdachte gaf aan bang te zijn en niet te hebben kunnen ingrijpen.

Het hof oordeelde dat niet duidelijk is of verdachte actief heeft geholpen of slechts toekeek, en of hij überhaupt de mogelijkheid had om in te grijpen. Daarom sprak het hof verdachte vrij van de tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de mishandeling en dood van de hond heeft kunnen voorkomen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000303-23
Uitspraak d.d.: 29 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 20 januari 2023 met parketnummer 08-167877-22 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 augustus 2024 en 15 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. J.C.H. Pronk, naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte voor het overtreden van artikel 2.1, zesde lid, van de Wet Dieren (te weten: het niet verlenen van de nodige zorg/hulp aan een hulpbehoevend dier) veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van twintig uren, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 31 mei 2021 te [plaats] , een hulpbehoevend dier, te weten een hond (genaamd [naam] ) niet de nodige zorg en/of hulp heeft verleend door niet te beletten dat jegens die hond geweldshandelingen werden gepleegd en/of dat die hond werd gedood.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte op enig moment gelegenheid heeft gehad om te beletten dat jegens de hond geweldshandelingen werden gepleegd en dat de hond werd gedood. De rol van verdachte bij het vastbinden van de poten en het in het water gooien van de hond, genaamd [naam] is op basis van het dossier niet duidelijk geworden.
De medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij degene was die de tiewraps om de poten van [naam] heeft gedaan en hem in het water heeft gegooid. Hij zegt eerst dat hij dat alleen heeft gedaan. Later zegt hij dat het mogelijk is dat verdachte erbij was en tenslotte heeft hij verdachte zelfs aangewezen als de dader en ontkend dat hij, medeverdachte, aanwezig is geweest bij het vastbinden en in het water gooien van [naam] .
Verdachte zelf heeft verklaard dat hij er wel bij was, maar niet de mogelijkheid en moed heeft gehad om in te grijpen omdat hij bang was voor [medeverdachte] .
Het hof is van oordeel dat niet precies duidelijk is geworden of verdachte actieve handelingen heeft verricht om medeverdachte [medeverdachte] te helpen, of dat hij alleen heeft toegekeken en ook niet of en in hoeverre verdachte in dat geval de gelegenheid heeft gehad om in te grijpen.
Het hof spreekt verdachte daarom vrij.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. H. Heins, voorzitter,
mr. K.J.C. Geeve en mr. M.C.J. Groothuizen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 29 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.