ECLI:NL:GHARL:2025:6738

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
21-003730-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met gematigde straf voor poging zware mishandeling na overschrijding redelijke termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland, waarbij de verdachte was veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De rechtbank had de verdachte een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, maar het hof heeft deze straf gematigd tot 23 weken vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep. De verdachte had op 8 september 2022 hoger beroep ingesteld, en het hof oordeelde dat de behandeling van de zaak meer dan dertien maanden langer had geduurd dan toegestaan. Het hof bevestigde de beslissing van de rechtbank over de strafbaarheid van de verdachte en de feiten, maar kwam tot een andere beslissing over de strafmaat. De verdachte had samen met een mededader geprobeerd zijn werknemer zwaar te mishandelen, wat leidde tot ernstige verwondingen. Het hof weegt de omstandigheden van de zaak, waaronder de gezagsverhouding tussen verdachte en slachtoffer, mee in de strafoplegging. Het hof verklaarde ook het in beslag genomen mes verbeurd, dat was gebruikt bij de mishandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003730-22
Uitspraak d.d.: 16 oktober 2025
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 29 augustus 2022 met parketnummer 05-115576-21 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1984,
wonende te [adres] [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte voor poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest. Tevens is beslist over het beslag.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden en juiste wijze heeft beslist – ook wat betreft de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte – en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het betreft de opgelegde straf, waarbij inbegrepen de beslissing op het beslag. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 weken, waarbij in strafmatigende zin rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft – samen met een ander – geprobeerd om zijn werknemer zwaar te mishandelen. Hier lag een onderlinge ruzie aan ten grondslag. Verdachte heeft ernstig geweld gebruikt door in het gezicht van het slachtoffer te schoppen en met een stanleymes in de hand van het slachtoffer te steken, waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Voorts heeft verdachte een mes op de keel van het slachtoffer gezet. Ondertussen werd het slachtoffer in bedwang gehouden door verdachtes mededader. Hierdoor heeft verdachte, samen met zijn mededader, een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast het fysieke letsel dat door de mishandeling is veroorzaakt, moet de situatie voor het slachtoffer bedreigend en beangstigend zijn geweest.
Vanwege de ernst van het feit en de mate van het letsel (meerdere snijletsels) acht het hof uitsluitend een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend en geboden.
Gelet op de werkgever-werknemer-relatie tussen verdachte en het slachtoffer en de omstandigheid dat het slachtoffer als werknemer ook woonachtig was op de werklocatie, waar het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, stelt het hof vast dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen verdachte en het slachtoffer. Het hof zal deze omstandigheid in strafverzwarende zin meewegen, nu verdachte ernstig geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer die als werknemer in zekere mate afhankelijk was van verdachte.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, waarin als oriëntatiepunt voor zware mishandeling met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden wordt genoemd. In beginsel geldt dat de straf in geval van een poging met een derde wordt verminderd.
Wat betreft het tijdsverloop moet de behandeling op zitting met een eindarrest zijn afgerond binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Verdachte heeft op 8 september 2022 hoger beroep ingesteld en dit arrest is van 16 oktober 2025. Daarmee is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer dertien maanden. Deze overschrijding is niet aan verdachte te wijten. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Alles afwegende acht het hof in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep matigen tot een gevangenisstraf voor de duur 23 weken, met aftrek van het voorarrest.

Beslag

Het hof verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten: 1 STK Mes (G2510694, Stanleymes). Met behulp van dit voorwerp is het bewezenverklaarde feit begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
23 (drieëntwintig) weken.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Mes (G2510694, Stanleymes).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. T. Bertens, voorzitter,
mr. G. Dam en mr. M.E. van der Werf, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 16 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.