ECLI:NL:GHARL:2025:6740

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
21-004328-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor bedreiging met mes, veroordeling voor openlijke geweldpleging met terrasmeubilair

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte, geboren in 2003, was eerder veroordeeld voor openlijke geweldpleging en bedreiging met een mes. De rechtbank had hem een taakstraf van tweehonderd uren opgelegd, waarvan vijftig uren voorwaardelijk, en een geldboete van € 250,-. In hoger beroep heeft het hof de zaak opnieuw beoordeeld. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 7 juni 2023 openlijk geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen door terrasmeubilair te gooien. Echter, de bedreiging met een mes en het dragen van een mes zijn niet bewezen, waardoor de verdachte daarvan is vrijgesproken. Het hof heeft overwogen dat er onvoldoende bewijs was voor de opzet op bedreiging en dat het mes niet als een wapen kon worden aangemerkt in de context van de situatie. De verdachte heeft het mes van een minderjarige afgepakt en er waren geen dreigende bewegingen met het mes gemaakt. Het hof heeft de eerdere veroordeling vernietigd en de verdachte opnieuw veroordeeld tot een taakstraf van honderdtwintig uren, waarvan veertig uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De beslissing is genomen met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de context van het conflict tussen de betrokken families.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004328-24
Uitspraakdatum: 30 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 8 oktober 2024 met parketnummer 05-166277-23 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende te [adres 1]

Hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. Y. ten Tuijnte, naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte voor openlijke geweldpleging tegen personen en goederen en bedreiging veroordeeld tot een taakstraf van tweehonderd uren (subsidiair honderd dagen vervangende hechtenis), met aftrek van het voorarrest, waarvan vijftig uren (subsidiair vijfentwintig dagen vervangende hechtenis) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en voor overtreding van de Wet wapens en munitie tot een geldboete van € 250,- (subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis).
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 7 juni 2023 te [plaats] openlijk, te weten, op/aan de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten
- [slachtoffer 1] ,
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 3]
en/of tegen een of meer goederen, toebehorend aan [slachtoffer 4] , te weten
- een of meerdere ruiten,
- een deur en/of
- de gevel van de woning op/aan de [adres 2]
door
- een of meerdere stoelen en/of banken, althans enig terrasmeubilair te gooien tegen en/of naar genoemde goederen,
- een of meerdere stoelen en/of banken, althans enig terrasmeubilair te gooien tegen en/of naar die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , en/of
- een of meer slaande en/of duwende bewegingen naar die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te maken;
2.
hij op of omstreeks 7 juni 2023 te [plaats]
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 3]
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] een mes te tonen;
3.
hij op of omstreeks 7 juni 2023 te [plaats] een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Op basis van het dossier en het behandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat verdachte het mes op locatie heeft afgepakt van de [familie] . Op basis van de verklaring van verdachte en het uitkijken van de beelden stelt het hof vast dat verdachte het mes vervolgens bij zich heeft gehouden. Hij heeft het mes vastgehouden, langs zijn lichaam, en daarbij enige afstand gehouden tussen hem en de [familie] . Verdachte heeft het mes weggegooid vlak voordat hij de auto instapte en de situatie verliet.
Het hof ziet onvoldoende bewijs voor de vaststelling dat verdachte opzet had op bedreiging met het mes (feit 2), ook niet in voorwaardelijke zin.
In verband met feit 3 overweegt het hof dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit volgt dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het mes bestemd was om letsel aan te brengen of te dreigen. Verdachte heeft het mes op locatie van een van de leden van de [familie] afgepakt en derhalve niet zelf meegenomen. Niet blijkt dat verdachte op enig moment dreigende bewegingen heeft gemaakt met het mes. In tegenstelling tot de rechtbank ziet het hof op de beschikbare camerabeelden het moment rond seconde 51 niet als een moment waarop verdachte met het mes uithaalt, maar als een moment waarop verdachte zijn hand met daarin het mes beweegt, omdat hij met zijn andere hand andere handelingen verricht.
Het hof komt gelet op het voorgaande tot een vrijspraak van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
Overweging met betrekking tot het bewijs [1]
Het hof volstaat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 1 met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en niet door de raadsman vrijspraak is bepleit.
Deze opgave luidt als volgt.
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 32-33, met uitzondering van de vaststelling:
  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 oktober 2025.
Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat niet vast is komen te staan dat slaande en/of duwende bewegingen naar [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zijn gemaakt en zal verdachte van dit onderdeel vrijspreken. Evenmin kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat het geweld zich naast tegen [slachtoffer 1] ook richtte tegen de andere genoemde personen, zodat verdachte ook hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks7 juni 2023 te [plaats] openlijk, te weten,
op/aan de [adres 2]
in elk geval op ofaan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een
of meerderepersoon
en, te weten
- [slachtoffer 1] ,
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 3]
en
/oftegen
een of meergoederen, toebehorend aan [slachtoffer 4] , te weten
-
een ofmeerdere ruiten,
- een deur en
/of
- de gevel van de woning
op/aan de [adres 2]
door
-
een of meerderestoelen en/of
banken, althans enigterrasmeubilair te gooien tegen
en/of naargenoemde goederen,
-
een of meerderestoelen en/of
banken, althans enigterrasmeubilair te gooien
tegen en/ofnaar die [slachtoffer 1] ,
[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , en/of
- een of meer slaande en/of duwende bewegingen naar die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te maken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zag zich geconfronteerd met een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen hem, zijn broer en/of zijn zwager. Daartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. De [familie] had messen en kwam dreigend op verdachte en zijn familie af. Door met spullen naar de familie te gooien hebben verdachte en zijn familie zich verdedigd en proportioneel gehandeld. De afstand tussen verdachte (en zijn familie) en de [familie] was relatief klein, waardoor zich onttrekken aan de situatie geen reëel alternatief was. Derhalve is ook voldaan aan het subsidiariteitsvereiste.
Subsidiair komt verdachte een beroep op putatief noodweer toe. Verdachte kon en mocht menen dat [slachtoffer 1] en zijn familie tot een aanval zouden overgaan waarbij messen zouden worden gebruikt door de [familie] en dat er aldus een noodweersituatie was dan wel op korte termijn zou ontstaan.
In beide gevallen dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie wegens het ontbreken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen verdachte, zijn broer en/of zijn zwager.
Subsidiair heeft verdachte niet voldaan aan het subsidiariteitsvereiste, aangezien hij en zijn familie zich hadden kunnen onttrekken aan de situatie.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vereist is dat het feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, of bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding. In de eis dat de gedraging van verdachte is geboden door de noodzakelijke verdediging, ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte is met zijn broer en zijn zwager (hierna: de groep van verdachte) in de avonduren naar de woning van de [familie] gegaan om het gesprek dan wel de confrontatie aan te gaan met de [familie] omtrent een ander conflict tussen beide families. Zowel de groep van verdachte als de [familie] waren emotioneel. De groep van verdachte werd ter plaatse geconfronteerd met de [familie] , van wie een van de minderjarige kleinzoons een mes vast had. Verdachte heeft dit mes – op rustige wijze – van deze kleinzoon afgepakt. Uit de beelden, die door een buurtbewoner zijn gemaakt, blijkt dat de groep van verdachte vervolgens afstand heeft gecreëerd tussen hen en (het huis van) de [familie] . Op de beelden is met name de groep van verdachte te zien en zijn meerdere geluiden te horen die wijzen op de aanwezigheid van de [familie] buiten het beeld. Nadat de groep van verdachte enige afstand heeft genomen, is er gegooid met terrasmeubilair door de groep van verdachte. Niet is te zien dat leden van de [familie] de aanval of de confrontatie opzoeken. Op enig moment tijdens het gooien komt een van de vrouwelijke familieleden van [slachtoffer 1] naar de groep van verdachte toelopen, roept kennelijk iets en verdwijnt dan weer uit beeld. Andere leden van de [familie] zijn niet te zien. Kort daarna lopen verdachte en zijn familieleden relatief rustig naar hun auto.
Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk dat er – ten tijde van het bewezenverklaarde gooien met spullen – sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed) of dreiging van een dergelijke aanranding, zodat daartegen verdediging geboden was. Immers, op het moment dat (de groep van) verdachte met spullen gooide, blijkt geenszins van een aanval of aanranding door de [familie] .
Verdachte heeft weliswaar verklaard dat een van de kleinzoons met een mes rondliep en dat hij dat mes heeft afgepakt. Verdachte heeft daarbij echter niet verklaard dat hij of zijn familieleden door deze kleinzoon werden aangevallen. Ook was het (potentiële) gevaar dat van het dragen van het mes door de kleinzoon uitging al geëindigd voordat de groep van verdachte met terrasmeubilair begon te gooien, doordat verdachte dit mes van deze kleinzoon had afgepakt en van hem was weggelopen.
Dat [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) eveneens een mes heeft vastgehad en daarmee bij de woning heeft gestaan, zoals verdachte heeft verklaard, levert naar het oordeel van het hof nog geen aanval of aanranding door [slachtoffer 1] op. De enkele omstandigheid dat iemand verderop met een mes staat, is immers onvoldoende om te spreken van een dreigende aanranding. [slachtoffer 1] heeft zich op de beelden niet (in de buurt van de groep van verdachte) getoond en het is niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer 1] aanstalten maakte om de groep van verdachte op enige wijze aan te vallen.
Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] alleen met een mes bij de deur van de woning stond, en dat de groep van verdachte heeft gegooid met spullen richting (het huis van) de [familie] om hen op afstand te houden en af te schrikken. Ook het feit dat de groep van verdachte even later relatief rustig naar de auto loopt en vertrekt wijst er niet op dat zij bevreesd waren voor een aanval door [slachtoffer 1] .
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of dat verdachte meende dat daarvan sprake was. Het verweer wordt verworpen.
Dat het hof bij het bekijken van de beelden ter terechtzitting heeft opgemerkt dat er bij een van de jonge leden van de [familie] nog een mes lijkt te zijn op het moment dat de groep van verdachte wegrijdt met de auto, verandert voorgaand oordeel niet. Verdachte heeft dit mes ten tijde van de confrontatie immers niet opgemerkt en het heeft derhalve niet kunnen bijdragen aan de belevingswereld van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte zat op dit moment in de vertrekkende auto en het bewezenverklaarde was reeds afgelopen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde – conform het vonnis van de rechtbank – wordt veroordeeld tot en taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, waarvan vijftig uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een geldboete van € 250,-.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de door de rechtbank opgelegde straf te matigen en de straf meer in lijn te brengen met de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd, te weten een geldboete van € 600,- in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van honderd uren, dan wel een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarbij in het laatste geval sprake was van een verdenking voor meerdere feiten, recidive en een fors strafblad en laatstgenoemde zaak derhalve substantieel anders is dan onderhavige zaak. Een taakstraf waarvan een fors gedeelte voorwaardelijk is passend gelet op de context waarbinnen het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] en een woning. Hij is samen met zijn broer en zijn zwager naar diens woning gegaan om de confrontatie te zoeken. Daarbij zijn tuinstoelen gegooid richting [slachtoffer 1] en zijn woning. Hierbij zijn meerdere ruiten vernield. Het gepleegde geweld heeft plaatsgevonden in een woonwijk en buurtgenoten zijn daar getuige van geweest. Dergelijke geweldplegingen zijn bedreigend voor degenen tegen wie deze zijn gericht en roepen ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn en in het algemeen in de samenleving gevoelens van onveiligheid op.
Het hof houdt rekening met de rol van [slachtoffer 1] en zijn familie in dit conflict. Uit het dossier komt een beeld naar voren van een al langer spelend conflict tussen de twee families, waar over en weer aangiftes zijn gedaan. Verder weegt het hof de context waarin de geweldpleging heeft plaatsgevonden mee, in de zin dat verdachte, zijn broer en zijn zwager die avond het conflict hebben opgezocht – al dan niet terecht – uit de wens hun gezin te beschermen.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, waarin als oriëntatiepunt voor openlijke geweldpleging tegen personen, zonder lichamelijk letsel, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren wordt genoemd. Daarbij overweegt het hof dat verdachte de geweldpleging tevens tegen goederen heeft begaan.
Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 28 augustus 2025, waaruit geen noemenswaardige omstandigheden blijken. Het hof weegt dit in strafmatigende noch in strafverzwarende zin mee.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij momenteel een uitkering ontvangt en niet werkzaam is. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaruit zijn beperkte draagkracht blijkt, acht het hof de oplegging van een geldboete niet passend.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, waarvan veertig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het hof acht het passend om een voorwaardelijk deel op te leggen als stok acht de deur om zoveel mogelijk te waarborgen dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen en in de toekomst verstandigere keuzes maakt als hij in conflict geraakt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. T. Bertens en mr. M.E. van der Werf, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 30 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.De paginanummers die in de bewijsmiddelen zijn genoemd betreffen pagina’s van het dossier van de politie Eenheid Oost-Nederland, dossiernummer PL0600-2023255150, afgesloten d.d. 9 augustus 2023 (aantal doorgenummerde bladzijden: 122).