ECLI:NL:GHARL:2025:6823

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
Wahv 200.353.320/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor onrechtmatig parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder direct verband met vervoer gehandicapte

De betrokkene werd beboet voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder dat dit rechtstreeks verband hield met het vervoer van de gehandicapte aan wie de parkeerkaart was verstrekt. De overtreding vond plaats op 10 mei 2023 in Amsterdam. De betrokkene voerde aan dat het parkeren wel degelijk verband hield met het vervoer van de gehandicapte, maar kon dit niet aannemelijk maken.

De ambtenaar stelde vast dat de bestuurder die wegreed niet de kaarthouder was en dat de gehandicapte niet in of nabij het voertuig aanwezig was. De betrokkene gaf tegenstrijdige verklaringen en kon niet aantonen dat het gebruik van de gehandicaptenparkeerkaart gerechtvaardigd was. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Het gerechtshof bevestigde deze beslissing en oordeelde dat het op de weg van de betrokkene lag om aannemelijk te maken dat het parkeren in verband stond met het vervoer van de gehandicapte. Dit is niet gelukt, waardoor de boete terecht is opgelegd. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: De boete van €350 voor onrechtmatig parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.353.320/01
CJIB-nummer
: 259311292
Uitspraak d.d.
: 3 november 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met vervoer gehandicapte”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 mei 2023 om 14.05 uur op het Buikslotermeerplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Er moet kunnen worden vastgesteld dat het parkeren niet rechtstreeks verband hield met het vervoeren van een gehandicapte, maar de verklaringen van de betrokkene zijn afgelegd voordat haar de cautie is gegeven. Onduidelijk is hoe de ambtenaar heeft kunnen vaststellen dat de betrokkene ten onrechte gebruik maakte van de gehandicaptenparkeerkaart van iemand anders. Hij heeft gezien dat de betrokkene met haar kind instapte en wegreed, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat het parkeren geen rechtstreeks verband hield met het vervoer van een gehandicapte en dat degene die de auto had neergezet de persoon was op wiens naam de kaart staat. Toen de ambtenaar de betrokkene vroeg waar de kaarthouder was, had de betrokkene de cautie moeten worden gegeven, maar dit is pas gedaan nadat zij vragen had beantwoord.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat op bovengenoemde dag, datum, tijdstip een Toyota met kenteken:
[kenteken] geparkeerd stond op een algemene gehandicaptenparkeerplaats aangeduid middels een verkeersbord E6. Ik zag dat er zichtbaar achter de voorruit een gehandicaptenparkeerkaart (B) lag met kaartnummer 1703706.
Ik, verbalisant, zag dat een vrouw als persoon, samen met het kindje het voertuig instapte. Ik zag dat de bestuurder haar voertuig startte en weg reed. Ik heb de bestuurder ongeveer 50 meter vanaf de parkeeractie staandegehouden ter controle van de gehandicaptenparkeerkaart. Ik vroeg de bestuurder de gehandicaptenparkeerkaart ter inzage. Ik zag dat de bestuurder de gehandicaptenparkeerkaart uit het dashboardkastje pakte en mij deze ter inzage aanbood. Ik zag op de achterzijde van de gehandicaptenparkeerkaart (B) met kaartnummer 1703706 dat de bestuurder niet de kaarthouder was. Tevens heb ik de kaarthouder niet in of rondom het voertuig waargenomen. Ik vroeg de bestuurder waar de kaarthouder zich op het moment bevond. Ik hoorde dat de bestuurder mij hierop antwoorde: “hij is in het gemeentehuis iets aan het aanvragen”. Ik stelde de bestuurder voor om samen te controleren of de kaarthouder daadwerkelijk in het gemeentehuis was. Ik hoorde dat bestuurder mij hierop antwoordde: “hij is eigenlijk op vakantie in Irak. Ik dacht gewoon even snel gebruiken omdat ik haast had.” Omdat de parkeeractie niet in het belang was van de kaarthouder heb ik de bestuurder proces-verbaal aangezegd voor het onjuist gebruik maken van de gehandicaptenparkeerkaart. Ik heb vervolgens de gehandicaptenparkeerkaart aan het verkeer onttrokken. De gehandicaptenparkeerkaart wordt, samen met een rapport van bevindingen opgestuurd naar de gemeente van uitgifte. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: ik wilde eigenlijk heel snel naar de gemeente gaan, daarom.”
5. De ambtenaar heeft bij het brondocument zijn foto’s van de voor- en achterkant van een gehandicaptenparkeerkaart gevoegd, geldig tot 13 april 2027 en afgegeven door de gemeente Amsterdam. Deze kaart is op naam gesteld van [bestuurder] en betreft kaarttype B (het hof begrijpt: bestuurder).
6. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt voor zover hier van belang:
“Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:
b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt.”
7. Deze bepaling dient naar het oordeel van het hof zo te worden begrepen dat het op de weg van een betrokkene ligt zich erop te beroepen dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt en, wil dit beroep kunnen slagen, een betrokkene zijn stelling ook aannemelijk dient te maken (vgl. het arrest van het hof van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2014:5768).
8. De ambtenaar heeft vastgesteld dat degene die van de parkeerplaats wegreed niet degene was aan wie de gehandicaptenparkeerkaart was afgegeven en dat de gehandicapte ook niet in het voertuig aanwezig was of in de nabije omgeving daarvan. Daarmee kan worden vastgesteld dat het parkeren op het moment van de gedraging niet rechtstreeks verband hield met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt. Anders dan de gemachtigde stelt, lag het onder die omstandigheden niet op de weg van de ambtenaar om te controleren wie het voertuig op de parkeerplaats heeft geparkeerd, maar lag het op weg van de betrokkene om te stellen en aannemelijk te maken dat het vervoer verband hield met het vervoer van de gehandicapte. Daar is de betrokkene niet in geslaagd.
9. Uit het zaakoverzicht volgt dat de betrokkene de cautie is gegeven. Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven wanneer de cautie is gegeven. De gedraging kan op basis van de waarnemingen van de ambtenaar worden vastgesteld.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.