Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.Het oordeel van het hof
Op die website stelden partijen zich samen voor.
Aandeel voor nog te betalen facturen
€ - 2.066,12Subtotaal € 13.288,66
21% btw € 2.790,62
Totaal € 16.079,28
Een vordering van [geïntimeerde] in kort geding tot opheffing van de beslagen is in een vonnis van de voorzieningenrechter van 23 december 2023 afgewezen.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van die vorderingen en heeft harerzijds opheffing van de gelegde beslagen gevorderd.
Wijziging van eis
Primair:
1. Het vonnis van 15 mei 2024 te vernietigen;
2. Te verklaren voor recht dat het samenwerkingsverband als maatschap te kwalificeren is;
3. De maatschap te ontbinden per datum van het te wijzen arrest en het maatschapsvermogen per die datum in gelijke helfte te verdelen.
Subsidiair:
1. Het vonnis van 15 mei 2024 te vernietigen;
2. Te verklaren voor recht dat het samenwerkingsverband als maatschap te kwalificeren is;
3. Te verklaren voor recht dat het samenwerkingsverband per 1 mei 2023 is ontbonden;
4. Het maatschapsvermogen per 1 mei 2023 in gelijke helfte te verdelen;
Primair en subsidiair met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en rente.
[geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen arrest de bescheiden als gedefinieerd in randnummer 6.4 van de memorie van grieven aan [appellant] te verstrekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.
In het incidenteel hoger beroep heeft zij gevorderd het vonnis van 15 mei 2024 te vernietigen en de vordering van [appellant] alsnog volledig af te wijzen.
[geïntimeerde] heeft de vordering die zij bij de rechtbank in reconventie had ingesteld niet gehandhaafd en heeft evenmin gegriefd tegen de afwijzing daarvan. Dat betekent dat in dit hoger beroep alleen nog de vraag voorligt of de samenwerking van partijen kwalificeert als een maatschap en zo ja, hoe de afwikkeling daarvan moet plaatsvinden.
De samenwerking kwalificeert niet als een maatschap
Overeenkomst
Inbreng
Voordeel
De specificatie van het door [appellant] aan [naam1] in rekening te brengen bedrag werd telkens door een medewerkster van [geïntimeerde] opgesteld en aan [appellant] aangereikt, waarna [appellant] op die basis factureerde.
Samenwerking; geen gelijkwaardigheid
Zij dreef sedert 2007 een eigen NVM-makelaarskantoor en had uit dien hoofde veel ervaring en een eigen klantenbestand. [appellant] heeft tijdens de zitting bij de rechtbank verklaard dat zij commerciële ervaring had doordat zij 15 jaar heeft gewerkt als personal assistent van de directeur van KLM en werkzaam is geweest in marketing en sales van de mega jachtbouw. [appellant] had echter geen relevante ervaring met de woningmarkt en beschikte ook niet over het voor een NVM-makelaar benodigde diploma. Zij is gestart met de opleiding tot makelaar enmocht met ontheffing van de NVM gedurende 15 maanden werkzaamheden verrichten als Assistent-Register Makelaar Taxateur. Van een professionele gelijkwaardigheid van partijen was dan ook geen sprake, niet bij de aanvang van de samenwerking en ook niet in de loop der tijd: [appellant] is er tijdens de samenwerking namelijk niet in geslaagd haar makelaarsdiploma te halen en heeft daardoor slechts met ontheffing van de NVM en onder toezicht en verantwoordelijkheid van [geïntimeerde] kunnen werken. [geïntimeerde] droeg het ondernemersrisico voor verliezen en was aansprakelijk voor eventuele beroepsfouten bij de uitvoering van makelaarswerkzaamheden.
[appellant] voerde praktische taken uit zoals het begeleiden van bezichtigingen, maar was niet bevoegd overeenkomsten met opdrachtgevers te sluiten of koopovereenkomsten te ondertekenen; daartoe was alleen [geïntimeerde] beschikkingsbevoegd.
Niet gesteld of gebleken is dat er sprake was van regelmatige vergaderingen waarbij allerlei zakelijke en financiële kwesties aan de orde kwamen en waarbij managementtaken tussen partijen werden verdeeld, zodat ook [appellant] een rol speelde in de bedrijfsvoering.
Integendeel: [appellant] werkte hoofdzakelijk thuis. Zij had geen sleutel van het kantoor en kwam alleen op het kantoor om sleutels te halen als er een woning bezichtigd moest worden. Het kantoor werd gerund door [geïntimeerde] . Zij was huurster van het kantoorpand, had het personeel in dienst en stuurde het personeel aan. [geïntimeerde] deed ook de administratie van [naam4] als onderdeel van de administratie van [naam1] . [appellant] heeft in haar memorie van grieven en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep benadrukt dat zij nooit inzicht heeft gehad in de bankrekening en de financiële administratie van [geïntimeerde] . Zij heeft aangegeven geen zicht te hebben op de door [naam4] ontvangen betalingen, het klantenbestand en de uitgebrachte facturen en “geen idee van de omvang van het vermogen van de maatschap” te hebben. Van een gelijkwaardige positie in de samenwerking was ook in die zin geen sprake.
Er werd geen gezamenlijke boekhouding gevoerd. Partijen deden ieder de administratie voor de eigen onderneming. Op facturen voor klanten van [naam4] stond het bankrekeningnummer van [naam1] vermeld en de facturen werden dan ook op die rekening voldaan. [appellant] had geen toegang tot die bankrekening en zoals gezegd geen inzage in de financiële administratie van [geïntimeerde] .
Een medewerkster van [geïntimeerde] verstrekte [appellant] met enige regelmaat een overzicht van de met [naam4] gerealiseerde winst en de daarop in mindering strekkende kosten en gaf zo aan [appellant] op wat zij voor de door haar verrichte werkzaamheden aan [naam1] in rekening kon brengen. [appellant] declareerde vervolgens dienovereenkomstig. Het in rekening gebrachte bedrag was dus wel gerelateerd aan de met [naam4] gerealiseerde winst, maar uit de omstandigheid dat [appellant] aan [naam1] daarbij btw in rekening bracht, blijkt dat het ging om werkzaamheden die [appellant] als zzp-er in opdracht van [geïntimeerde] verrichtte. Over een winstaandeel van een vennoot in een maatschap is immers geen btw verschuldigd.
De mededeling van [geïntimeerde] (zie r.o. 3.7):
“We moeten tzt wel vastleggen dat de extra handelsnaam van ns beiden is” moet naar het oordeel van het hof in het licht van die intentie voor de langere termijn worden gezien.
Het ligt immers ook geenszins in de rede dat [geïntimeerde] , die al twintig jaar een eigen NVM-makelaarskantoor dreef, onmiddellijk een maatschap zou aangaan met iemand die over geen enkele relevante ervaring beschikte. [geïntimeerde] heeft immers onweersproken gesteld dat de NVM strenge eisen stelt aan de opleiding van makelaars die onder de NVM-vlag opereren, zodat het voor [geïntimeerde] niet mogelijk was als NVM-makelaar een maatschap met [appellant] aan te gaan zolang zij niet gediplomeerd was. De aanvankelijke rechtsverhouding (overeenkomst van opdracht aan een zzp-er) heeft zich mede om die reden niet ‘geruisloos’ kunnen ontwikkelen tot een maatschapsverband.
Uit de feitelijke taakverdeling, zoals die hiervoor door het hof is geschetst, blijkt duidelijk dat dat de rol van [appellant] ondergeschikt was aan die van [geïntimeerde] . Van een maatschap is geen sprake geweest.
De conclusie
Grief 1 in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt. De tweede grief in het incidenteel hoger beroep behoeft om die reden geen behandeling.
4.De beslissing
in het principaal hoger beroep, het incident en het incidenteel hoger beroep:
[geïntimeerde] in het principaal hoger beroep, die van het incident daaronder begrepen:
[geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep:
€ 607 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 pt x appeltarief € 607);
28 oktober 2025.