ECLI:NL:GHARL:2025:6918

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
200.343.612/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1655 BWArt. 7:408 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Samenwerking tussen makelaars kwalificeert niet als maatschap wegens gebrek aan gelijkwaardigheid

Partijen, beiden werkzaam in de makelaardij, werkten vanaf 2019 samen onder een gezamenlijke naam voor de verkoop van woningen in het hogere segment. Appellant volgde een opleiding tot makelaar en verrichtte werkzaamheden als zzp'er onder begeleiding van geïntimeerde, die een ervaren makelaar was met een eigen kantoor. De samenwerking werd in 2023 beëindigd door geïntimeerde.

Appellant stelde dat sprake was van een maatschap en vorderde de verdeling van het maatschapsvermogen en schadevergoeding wegens beëindiging. Geïntimeerde stelde dat appellant als zelfstandige opdrachtnemer werkte en dat de samenwerking reeds financieel was afgewikkeld. Het hof oordeelde dat de samenwerking niet kwalificeert als maatschap omdat de essentiële gelijkwaardigheid en gezamenlijke bedrijfsvoering ontbraken.

De feitelijke taakverdeling, het ontbreken van gezamenlijke boekhouding, het feit dat appellant geen medezeggenschap had en geen toegang tot de financiële administratie, en het feit dat appellant als zzp'er factureerde met btw, wezen op een overeenkomst van opdracht en niet op een maatschap. De vorderingen van appellant werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank; de samenwerking kwalificeert niet als maatschap.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.343.612/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 191081
arrest van 28 oktober 2025
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres en verweerster,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. M.W. Renzen te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats2] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde en eiseres,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. V.P. Melens te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, op 15 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep;
• de memorie van grieven, tevens eis in het incident;
• de memorie van antwoord in het incident en in het principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 11 september 2025 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1
[geïntimeerde] is makelaar en heeft in 2007 een eigen NVM-makelaarskantoor opgericht. In 2019 hebben partijen elkaar leren kennen en is [appellant] een opleiding gaan volgen voor kandidaat register makelaar taxateur. [geïntimeerde] en [appellant] zijn zich onder de naam [naam4] gaan richten op de verkoop van woningen in het hogere segment. De samenwerking is op 1 mei 2023 opgezegd door [geïntimeerde] . Partijen verschillen van mening over de vraag wat de aard van die samenwerking was en hoe die samenwerking financieel nog moet worden afgewikkeld. [appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake was van een maatschap en maakt aanspraak op verdeling van het maatschapsvermogen. [geïntimeerde] is van mening dat zij geen vennoten waren, maar dat [appellant] als zzp-er in haar opdracht werkzaamheden verrichtte. Financiële afwikkeling van de samenwerking heeft volgens [geïntimeerde] reeds volledig plaatsgevonden.

3.Het oordeel van het hof

Inleiding
3.1
Het hof zal oordelen dat de samenwerking niet kwalificeert als maatschap. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) tegen het vonnis zullen daarbij thematisch worden behandeld, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.
De feiten
3.2
[geïntimeerde] (hierna in citaten ook aangeduid als [geïntimeerde] ) is in 2005 beëdigd tot makelaar en taxateur. In 2007 richtte zij een eigen NVM-makelaarskantoor op in de vorm van een eenmanszaak onder de handelsnaam [naam1] . Zij richtte zich voornamelijk op woningen in het middensegment in het zuidwesten van Friesland.
3.3
Partijen hebben elkaar in juni 2019 leren kennen. [appellant] (hierna in citaten ook aangeduid als [appellant] ) schakelde [geïntimeerde] in voor de verkoop van haar landhuis, nadat haar man op 7 juni 2019 was overleden.
3.4
Partijen zijn bevriend geraakt en hebben samengesproken over het voeren van een makelaarspraktijk voor het hoger segment in Friesland.
[appellant] is in september 2019 begonnen met de tweejarige opleiding kandidaat register makelaar taxateur (KRMT). In dat verband heeft zij op 17 september 2019 via WhatsApp aan [geïntimeerde] geschreven:
17-09-2019 17:06 - [appellant] : Ingeschreven voor opleiding tot makelaar (Basistheorie
Vastgoeddeskundige heet dat nu) bij OTS Heerenveen. Opleiding is gisteren gestart, ik draai mee vanaf vlg week maandagavond. Ik ga er voor. Dusss.. laat me vooral met je “meelopen”, zet me in, geef me werk. Eager to learn
Hierop heeft [geïntimeerde] geantwoord:
17-09-2019 17:12 - [geïntimeerde] : Goed dat je hebt ingeschreven
19-09-2019 14:25 - [geïntimeerde] : Lijkt me super leuk. We gaan er samen een sukses van maken.
Wachten we de kosten af.
Vervolgens hebben partijen via WhatsApp het volgende besproken:
19-09-2019 14:38 - [appellant] : Ja, heb er erg veel zin in. Reed net gewoon fout naar huis ipv school
omdat ik op een naam zat te broeden. [naam2] .. (...)
19-09-2019 14:41 - [geïntimeerde] : Kalm aan! Leuke uitdaging voor ons! Girl power!! [naam2] vind ik mooi. (...)
19-09-2019 17:46 - [geïntimeerde] : [naam3] !
19-09-2019 17:48 - [appellant] : Jaaa
19-09-2019 17:49 - [appellant] : [naam3]
19-09-2019 17:53 - [geïntimeerde] : Wauw gaan we uitkomen.
19-09-2019 17:54 - [appellant] : Wordt steeds leuker., zitten al goede bij.(...)
19-09-2019 18:00 - [appellant] : [naam4] .nl
19-09-2019 18:01 - [geïntimeerde] : Ja grappig! [naam4] . (...)
20-09-2019 11:01 - [appellant] : [naam3] ( [naam3] ) [naam4] .nl Domeinnamen
zijn alle drie nog beschikbaar. Vind zo’n soort naam wel mooi hoor. Ben al met wat teksten voor website bezig.
20-09-2019 11:12 - [geïntimeerde] : [naam4] heeft mijn voorkeur.!
3.5
[geïntimeerde] en [appellant] hebben in oktober 2019 opdrachten aan derden verstrekt voor het realiseren van een logo, huisstijl en website.
3.6
In een e-mail van 23 oktober 2019 heeft [geïntimeerde] bij de NVM dispensatie
aangevraagd voor [appellant] . In reactie hierop heeft de NVM diezelfde dag per e-mail aan
[geïntimeerde] bericht dat zij een ontheffing verleende aan het kantoor van [geïntimeerde]
tot 16 december 2020 voor Assistent-Register Makelaar Taxateur (ARMT)-
werkzaamheden uitgevoerd door [appellant] , op voorwaarde dat zij de opleiding zou
blijven volgen. Aan de hand van een inschrijvingsbewijs voor de aanvullende module(s)
was het volgens NVM mogelijk om de ontheffing nogmaals met 15 maanden te verlengen.
3.7
Op 31 oktober 2019 hebben partijen via WhatsApp het volgende aan elkaar bericht:
31-10-2019 14:56 - [geïntimeerde] : Voor de nvm moet ik een kvk aanleveren met een extra
handelsnaam. Dat ga ik dan nu aangeven. We moeten tzt wel vastleggen dat de extra handelsnaam van ons beiden is. Hou ik je even op de hoogte.
3 1-10-2019 16:08 - [appellant] : Prima, doen we.
3.8
Vervolgens heeft [geïntimeerde] in het handelsregister van de Kamer van
Koophandel [naam4] als tweede handelsnaam van haar eenmanszaak ingeschreven.
3.9
Het bedrijf Nova Septem heeft de website van de nieuwe onderneming met de
domeinnaam www. [naam4] .nl ontworpen. Met facturen van 22 november 2019 heeft zij elk van partijen de helft van de kosten van haar werkzaamheden in rekening gebracht.
Op die website stelden partijen zich samen voor.
3.1
Partijen verrichtten beiden werkzaamheden voor [naam4] , [geïntimeerde] als Register Makelaar Taxateur en [appellant] als Assistent-Register Makelaar Taxateur. Opdrachten tot dienstverleningen en verkoopovereenkomsten werden alleen door [geïntimeerde] als verkopend makelaar ondertekend. De factuur voor de klant was geprint op briefpapier van [naam4] , waarop het bankrekeningnummer en het KvK-nummer van [geïntimeerde] gedrukt stond.
3.11
[appellant] heeft op 1 april 2020 de eenmanszaak ‘ [naam5] ’ bij de Kamer van Koophandel laten inschrijven.
3.12
Op 15 oktober 2020 factureerde [naam5] het volgende aan [naam1] :
Aandeel [naam4] t/m september 2020 € 15.354,78
Aandeel voor nog te betalen facturen
€ - 2.066,12Subtotaal € 13.288,66
21% btw € 2.790,62
Totaal € 16.079,28
De factuur was opgesteld op basis van een door een medewerkster van [geïntimeerde] opgestelde specificatie. Blijkens die specificatie was het bedrag van € 15.354,78 opgebouwd uit 50% van de courtage die met de verkoop van woningen door [naam4] was gerealiseerd, verminderd met 50% van de kosten die gepaard gingen met die verkoop en verminderd met 25% van de vaste lasten van [naam1] .
3.13
In de jaren daarna heeft [naam5] op dezelfde wijze gefactureerd aan [naam1] . Al die facturen zijn door [naam1] voldaan.
3.14
Op verzoek van [appellant] hebben partijen op 12 april 2023 gezamenlijk een bespreking gevoerd met fiscalist [naam6] .
3.15
Op 19 april 2023 heeft de adjunct secretaris Commissie Lidmaatschapszaken van de NVM [geïntimeerde] het volgende geschreven:
“In de e-mail hieronder kunt u zien dat mevrouw [appellant] op 16 september 2019 met de opleiding tot KRMT is begonnen. Er is destijds een ontheffing verleend voor 15 maanden, te weten tot 16 december 2020. Vanaf deze datum had er - bij het toesturen
van het inschrijvingsbewijs voor de aanvullende module - nog 15 maanden ontheffing verleend kunnen worden tot maximaal 16 maart 2022. Aangezien deze datum reeds is verstreken en mevrouw [appellant] haar KRMT-registratie nog niet heeft bewerkstelligd, mag zij geen makelaardijactiviteiten (ARMT-, KRMT- dan wel RMT-werkzaamheden) verrichten.
Indien mevrouw [appellant] wel makelaardijactiviteiten voor uw kantoor verricht, kan de Commissie Lidmaatschapszaken u per overtreding een boete van € 1.500,- opleggen.”
3.16
[geïntimeerde] heeft [appellant] gevraagd op 1 mei 2023 op het kantoor in Lemmer te komen. Zij heeft [appellant] toen een brief overhandigd met de volgende inhoud:
“Ik heb besloten de mondelinge overeenkomst van opdracht (een zzp-arbeidsverhouding) met jou per 1 mei 2023 te beëindigen. In de wet staat - art. 7:408 lid 1 BW Pro - dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen. Daar maak ik gebruik van.”
3.17
[appellant] heeft vervolgens mediation voorgesteld, maar [geïntimeerde] is daarop niet ingegaan. [appellant] heeft vervolgens een kort geding aanhangig gemaakt en continuering van de samenwerking gevorderd, maar heeft dat kort geding ingetrokken en laten weten dat zij in de beëindiging van de samenwerking berust, maar aanspraak maakt op schadevergoeding.
3.18
[geïntimeerde] heeft [appellant] op 22 juni 2023 een bedrag van € 23.957,52 betaald ter zake van de eindafrekening van de tot en met 1 mei 2023 verkochte woningen.
3.19
[geïntimeerde] heeft haar eenmanszaak met ingang van 23 juni 2023 ingebracht in een door haar opgerichte besloten vennootschap.
3.2
[appellant] heeft op 18 augustus 2023 ten laste van [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de Rabobank en opdrachtgevers van [geïntimeerde] .
Een vordering van [geïntimeerde] in kort geding tot opheffing van de beslagen is in een vonnis van de voorzieningenrechter van 23 december 2023 afgewezen.
3.21
[appellant] heeft in de onderhavige procedure bij de rechtbank primair gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 180.000 ten titel van schadevergoeding in verband met de opzegging van de overeenkomst van maatschap. Subsidiair heeft zij gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 50.000 ten titel van schadevergoeding in verband met de opzegging van de overeenkomst van opdracht.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van die vorderingen en heeft harerzijds opheffing van de gelegde beslagen gevorderd.
3.22
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de samenwerking van partijen kwalificeert als een maatschap, maar dat de vordering van [appellant] tot schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank heeft overwogen dat het maten te allen tijde vrij staat de maatschap op te zeggen, terwijl niet gesteld of gebleken is dat partijen een opzegtermijn zijn overeengekomen die [geïntimeerde] niet is nagekomen, terwijl ook verder niet is gesteld dat [geïntimeerde] anderszins tekort geschoten is in de nakoming van de maatschapsovereenkomst. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] tot opheffing van de beslagen eveneens afgewezen omdat de rechtbank niet kan uitsluiten dat [appellant] binnen de mogelijkheden van het hoger beroep alsnog aannemelijk maakt dat zij schade heeft geleden, terwijl [geïntimeerde] haar belang bij opheffing van de beslagen onvoldoende heeft toegelicht.
Wijziging van eis
3.23
[appellant] heeft haar eis in de hoofdzaak in hoger beroep bij memorie van grieven gewijzigd in die zin dat zij nu vordert:
Primair:
1. Het vonnis van 15 mei 2024 te vernietigen;
2. Te verklaren voor recht dat het samenwerkingsverband als maatschap te kwalificeren is;
3. De maatschap te ontbinden per datum van het te wijzen arrest en het maatschapsvermogen per die datum in gelijke helfte te verdelen.
Subsidiair:
1. Het vonnis van 15 mei 2024 te vernietigen;
2. Te verklaren voor recht dat het samenwerkingsverband als maatschap te kwalificeren is;
3. Te verklaren voor recht dat het samenwerkingsverband per 1 mei 2023 is ontbonden;
4. Het maatschapsvermogen per 1 mei 2023 in gelijke helfte te verdelen;
Primair en subsidiair met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en rente.
3.24
Daarnaast heeft [appellant] in het incident gevorderd om
[geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen arrest de bescheiden als gedefinieerd in randnummer 6.4 van de memorie van grieven aan [appellant] te verstrekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.25
[geïntimeerde] heeft zowel in het incident als in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] .
In het incidenteel hoger beroep heeft zij gevorderd het vonnis van 15 mei 2024 te vernietigen en de vordering van [appellant] alsnog volledig af te wijzen.
3.26
[appellant] heeft haar eis in de hoofdzaak tijdig, namelijk bij memorie van grieven, gewijzigd. [geïntimeerde] heeft ook geen bezwaar tegen deze eiswijziging gemaakt. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis van [appellant] .
3.27
Het hof stelt vast dat [appellant] de vordering die zij in eerste aanleg subsidiair had ingesteld, niet heeft gehandhaafd en dat zij ook niet heeft gegriefd tegen de afwijzing van die subsidiaire vordering door de rechtbank.
[geïntimeerde] heeft de vordering die zij bij de rechtbank in reconventie had ingesteld niet gehandhaafd en heeft evenmin gegriefd tegen de afwijzing daarvan. Dat betekent dat in dit hoger beroep alleen nog de vraag voorligt of de samenwerking van partijen kwalificeert als een maatschap en zo ja, hoe de afwikkeling daarvan moet plaatsvinden.
De samenwerking kwalificeert niet als een maatschap
3.28
Artikel 7A:1655 BW omschrijft een maatschap als een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstane voordeel met elkaar te delen.
Overeenkomst
3.29
Voor het sluiten van een maatschapsovereenkomst gelden geen vormvoorschriften; deze kan ook stilzwijgend worden aangegaan. In het geval een schriftelijke overeenkomst ontbreekt, kan de totstandkoming van een overeenkomst mede worden afgeleid uit de tussen partijen bestaande feitelijke situatie. De motivering van het oordeel van de rechter dat een rechtsverhouding tussen partijen zich heeft ontwikkeld van een overeenkomst van opdracht in een overeenkomst van maatschap moet aan hoge eisen voldoen. [1] Het is dus van belang hoe partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst, met andere woorden: hoe zij de samenwerking feitelijk vorm hebben gegeven.
3.3
In dit geval zijn partijen in 2019 mondeling overeengekomen te gaan samenwerken. Het hof zal aan de hand van de feitelijke omstandigheden beoordelen of aan alle essentialia van een maatschapsovereenkomst is voldaan.
Inbreng
3.31
Bij aanvang van de samenwerking beschikte [appellant] niet over voor de woningmarkt relevante diploma’s, kennis en ervaring. [appellant] bracht haar arbeid in als leerling die het vak van makelaar nog moest leren, zoals zij zelf ook onderkende (zie het citaat in r.o. 3.4). [geïntimeerde] bracht als ervaren geregistreerd NVM-makelaar niet alleen haar arbeid in, maar stelde ook haar kantoor, personeel en de door haar opgebouwde goodwill ter beschikking van de samenwerking.
Voordeel
3.32
De samenwerking was gericht op het behalen van wederzijds voordeel. Afgesproken was dat de beloning voor de werkzaamheden die [appellant] verrichtte, bestond uit de helft van de met [naam4] gerealiseerde winst, verminderd met een deel van de vaste kosten.
De specificatie van het door [appellant] aan [naam1] in rekening te brengen bedrag werd telkens door een medewerkster van [geïntimeerde] opgesteld en aan [appellant] aangereikt, waarna [appellant] op die basis factureerde.
Samenwerking; geen gelijkwaardigheid
3.33
Een van de meest essentiële kenmerken van de maatschap, die de vennootschap onderscheidt van andere overeenkomsten, is de zogenoemde ‘affectio societatis’: de uit de inhoud van de overeenkomst af te leiden wil van de vennoten tot samenwerken op voet van gelijk(waardig)heid. Het hof is van oordeel dat daarvan geen sprake was en licht dat als volgt toe.
3.34
Bij aanvang van de samenwerking was [geïntimeerde] al jarenlang makelaar.
Zij dreef sedert 2007 een eigen NVM-makelaarskantoor en had uit dien hoofde veel ervaring en een eigen klantenbestand. [appellant] heeft tijdens de zitting bij de rechtbank verklaard dat zij commerciële ervaring had doordat zij 15 jaar heeft gewerkt als personal assistent van de directeur van KLM en werkzaam is geweest in marketing en sales van de mega jachtbouw. [appellant] had echter geen relevante ervaring met de woningmarkt en beschikte ook niet over het voor een NVM-makelaar benodigde diploma. Zij is gestart met de opleiding tot makelaar enmocht met ontheffing van de NVM gedurende 15 maanden werkzaamheden verrichten als Assistent-Register Makelaar Taxateur. Van een professionele gelijkwaardigheid van partijen was dan ook geen sprake, niet bij de aanvang van de samenwerking en ook niet in de loop der tijd: [appellant] is er tijdens de samenwerking namelijk niet in geslaagd haar makelaarsdiploma te halen en heeft daardoor slechts met ontheffing van de NVM en onder toezicht en verantwoordelijkheid van [geïntimeerde] kunnen werken. [geïntimeerde] droeg het ondernemersrisico voor verliezen en was aansprakelijk voor eventuele beroepsfouten bij de uitvoering van makelaarswerkzaamheden.
3.35
Ook vennootschapsrechtelijk was er geen sprake van gelijkwaardigheid.
[appellant] voerde praktische taken uit zoals het begeleiden van bezichtigingen, maar was niet bevoegd overeenkomsten met opdrachtgevers te sluiten of koopovereenkomsten te ondertekenen; daartoe was alleen [geïntimeerde] beschikkingsbevoegd.
Niet gesteld of gebleken is dat er sprake was van regelmatige vergaderingen waarbij allerlei zakelijke en financiële kwesties aan de orde kwamen en waarbij managementtaken tussen partijen werden verdeeld, zodat ook [appellant] een rol speelde in de bedrijfsvoering.
Integendeel: [appellant] werkte hoofdzakelijk thuis. Zij had geen sleutel van het kantoor en kwam alleen op het kantoor om sleutels te halen als er een woning bezichtigd moest worden. Het kantoor werd gerund door [geïntimeerde] . Zij was huurster van het kantoorpand, had het personeel in dienst en stuurde het personeel aan. [geïntimeerde] deed ook de administratie van [naam4] als onderdeel van de administratie van [naam1] . [appellant] heeft in haar memorie van grieven en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep benadrukt dat zij nooit inzicht heeft gehad in de bankrekening en de financiële administratie van [geïntimeerde] . Zij heeft aangegeven geen zicht te hebben op de door [naam4] ontvangen betalingen, het klantenbestand en de uitgebrachte facturen en “geen idee van de omvang van het vermogen van de maatschap” te hebben. Van een gelijkwaardige positie in de samenwerking was ook in die zin geen sprake.
3.36
De vorm waarin partijen samenwerkten, verschilt dan ook van die van de dierenartsen waar het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2011 [2] betrekking op heeft en op welk arrest [appellant] een beroep heeft gedaan. Daar ging het om dierenartsen die professioneel gelijkwaardig waren en in de loop der jaren allen als gelijkwaardige partners bijdroegen aan de opbouw van goodwill van de praktijk. Ook was tussen de dierenartsen sprake van vennootschapsrechtelijke gelijkwaardigheid: er werd gezamenlijk vergaderd over allerhande (beleids)kwesties en het door allen uitvoeren van allerhande managementtaken binnen de organisatie.
3.37
[geïntimeerde] en [appellant] hebben door hun handelen ook overigens geen blijk gegeven van de wil op basis van gelijkwaardigheid samen te werken. Zo hebben zij zich niet als maatschap geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Integendeel: [appellant] heeft per 1 april 2020 een eigen onderneming als eenmanszaak ingeschreven in het handelsregister.
Er werd geen gezamenlijke boekhouding gevoerd. Partijen deden ieder de administratie voor de eigen onderneming. Op facturen voor klanten van [naam4] stond het bankrekeningnummer van [naam1] vermeld en de facturen werden dan ook op die rekening voldaan. [appellant] had geen toegang tot die bankrekening en zoals gezegd geen inzage in de financiële administratie van [geïntimeerde] .
Een medewerkster van [geïntimeerde] verstrekte [appellant] met enige regelmaat een overzicht van de met [naam4] gerealiseerde winst en de daarop in mindering strekkende kosten en gaf zo aan [appellant] op wat zij voor de door haar verrichte werkzaamheden aan [naam1] in rekening kon brengen. [appellant] declareerde vervolgens dienovereenkomstig. Het in rekening gebrachte bedrag was dus wel gerelateerd aan de met [naam4] gerealiseerde winst, maar uit de omstandigheid dat [appellant] aan [naam1] daarbij btw in rekening bracht, blijkt dat het ging om werkzaamheden die [appellant] als zzp-er in opdracht van [geïntimeerde] verrichtte. Over een winstaandeel van een vennoot in een maatschap is immers geen btw verschuldigd.
3.38
Dat [appellant] [naam4] zelf ook als onderdeel van [naam1] beschouwde, blijkt uit het bericht dat zij op 21 maart 2021 aan een potentiële klant van [naam4] stuurde:
“Sinds twee jaar heeft [naam1] die reeds 13 jaar aan de Schulpen in Lemmer is gevestigd, een gespecialiseerde tak voor het hogere segment. [naam4] !”
Perceptie van derden
3.39
Uit de verklaringen van derde betrokkenen, zoals het personeel van Makelaardij Van Engelburg en de boekhouder van beide partijen [naam8] , blijkt dat ook in hun perceptie geen sprake was van een maatschap. Zo heeft [naam9] , medewerker verkoop binnendienst verklaard:
“ [geïntimeerde] en [appellant] zijn in 2020 een samenwerking aangegaan waarbij [appellant] zzp-er is geworden. [appellant] heeft in het begin met mij gesproken over het feit dat een zzp-er niet één cliënt mag hebben en gaf toen aan dat zij nog iemand had die zij een factuur kon sturen.
[appellant] heeft aan mij gevraagd of ik haar facturen van [naam5] voor
[naam1] wilde maken.”
3.4
[naam10] , medewerker verkoop binnendienst heeft verklaard:
“ [appellant] is vanaf het begin werkzaam geweest bij [naam4] als zzp-er. De meeste tijd werkte ze vanuit huis en wij hadden voornamelijk contact via telefoon en whatsapp.
Voor iedereen en ook voor [appellant] was het zondermeer duidelijk dat [geïntimeerde] de
enige eigenaar is van [naam1] en Makelaardij [naam4] .”
3.41
[naam8] heeft verklaard:
“Mevrouw [appellant] -Schonenveld is op 1 april 2020 begonnen met haar bedrijf onder de naam [naam5] per 1 januari 2023 is dit gewijzigd in een B.V.
Vanaf 1 april 2020 heb ik voor haar de administratie verzorgd als eenmanszaak en derhalve is er nimmer sprake geweest van een maatschap met [naam1] .
Ik heb de jaarcijfers van 2022 nog afgehandeld als eenmanszaak en ben daarna gestopt.”
3.42
[naam6] , de fiscalist, die door [appellant] was benaderd met de vraag te adviseren over de oprichting van een besloten vennootschap, heeft over zijn gesprekken met partijen verklaard:
“In maart 2023 heb ik kennis gemaakt met [appellant] , via een accountantskantoor waarvoor ik werk. Zij had interesse in de oprichting van besloten vennootschappen. Ik heb de stukken van haar ontvangen en daarna hebben wij samen een gesprek gehad over de voordelen en nadelen van het oprichten van besloten vennootschappen. In dit gesprek kwam ook de samenwerking met [geïntimeerde] aan orde. Zij werkte nu nog op declaratiebasis voor [naam4] , dit werd ieder halfjaar met haar afgerekend door [geïntimeerde] . Haar wens was dat hier wat meer structuur in zou komen, bijvoorbeeld ook dat [naam4] (waarin zij samen werkten) ook in een besloten vennootschap zou worden gebracht en dat zij daarin dan samen een aandeel zouden nemen via hun besloten vennootschappen. Ik heb vervolgens een BV voor haar opgericht en zij zou [geïntimeerde] vragen mij hierover te bellen. [geïntimeerde] heeft mij niet lang daarna gebeld hierover. Tijdens dat telefoongesprek gaf [geïntimeerde] al aan dat zij weinig voelde voor een intensievere samenwerking, omdat zij daar in het verleden negatieve ervaringen mee had gehad. Maar ze had wel oren naar het opzetten van haar eigen bedrijf in BV's en daarvoor hebben we op 15 maart afgesproken. Zij had mij vooraf haar rapporten opgestuurd en ik kwam al snel
tot de conclusie dat een BV voor haar fiscaal voordelig zou zijn. Om daarmee verder te kunnen
dienden we alleen nog de rapporten 2022 af te wachten. Verder stemde zij in met een gesprek samen met [appellant] bij mij op kantoor om mij aan te horen wat voor constructie ik dan in gedachten zou hebben.
Op 12 april jl. hebben wij die bespreking gehad bij mij op kantoor. Ik heb de structuur uitgelegd zoals die zou kunnen, te weten hun beide besloten vennootschappen die participeren in de gezamenlijke [naam4] BV. Uiteraard diende dan [appellant] wel voor het intreden te betalen, maar over bedragen hebben we het verder niet gehad. [appellant] gaf aan dat dit de structuur was die zij voor ogen had. [geïntimeerde] heeft een aantal keren herhaald dat zij de samenwerking op deze manier niet zag zitten en dat zij dit niet wilde. Uiteindelijk heb ik het gesprek afgerond en aan hun beide gevraagd om er nog eens over na te denken. De week daarop bede [geïntimeerde] mij dat [appellant] haar dispensatie was ingetrokken om nog langer als aspirant makelaar te werken, zodat alleen uit dien hoofde een samenwerking zoals ik die had geschetst niet aan de orde zou zijn en zij was voornemens de samenwerking die er lag, met [appellant] als freelancer voor [naam4] , op te zeggen.”
3.43
Het hof is, alles in aanmerking nemende, van oordeel dat de samenwerking van partijen niet kwalificeert als een maatschap. Het hof acht weliswaar aannemelijk dat partijen, die vriendinnen waren geworden, enthousiast zijn gaan samenwerken en de intentie hadden om [naam4] op termijn samen te gaan exploiteren, maar dat daarvoor wel – zoals [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog eens heeft benadrukt – voorwaarde was dat [appellant] eerst de nodige kennis zou opdoen, haar makelaarsdiploma zou halen en dat de samenwerking naar beider tevredenheid zou verlopen.
De mededeling van [geïntimeerde] (zie r.o. 3.7):
“We moeten tzt wel vastleggen dat de extra handelsnaam van ns beiden is” moet naar het oordeel van het hof in het licht van die intentie voor de langere termijn worden gezien.
Het ligt immers ook geenszins in de rede dat [geïntimeerde] , die al twintig jaar een eigen NVM-makelaarskantoor dreef, onmiddellijk een maatschap zou aangaan met iemand die over geen enkele relevante ervaring beschikte. [geïntimeerde] heeft immers onweersproken gesteld dat de NVM strenge eisen stelt aan de opleiding van makelaars die onder de NVM-vlag opereren, zodat het voor [geïntimeerde] niet mogelijk was als NVM-makelaar een maatschap met [appellant] aan te gaan zolang zij niet gediplomeerd was. De aanvankelijke rechtsverhouding (overeenkomst van opdracht aan een zzp-er) heeft zich mede om die reden niet ‘geruisloos’ kunnen ontwikkelen tot een maatschapsverband.
3.44
In 2023 heeft [appellant] fiscalist [naam6] ingeschakeld en is met het voorstel gekomen om [naam4] in een besloten vennootschap onder te brengen waarin zij beiden zouden gaan deelnemen. Op dat moment is voor het eerst een mogelijk andere vorm van samenwerking – op een gelijkwaardige basis in een besloten vennootschap – aan de orde gekomen. Partijen zijn het over het aangaan van een dergelijke samenwerking echter niet eens geworden en [geïntimeerde] heeft de samenwerking met [appellant] kort na de gezamenlijke bespreking bij [naam6] beëindigd.
3.45
Het hof merkt nog op dat de rechtbank veel waarde heeft gehecht aan de toon van de WhatsAppberichten die partijen met elkaar wisselden. Naar het oordeel van de rechtbank komt daaruit het beeld naar voren dat partijen op voet van gelijkwaardigheid [naam4] runden. Het hof volgt de rechtbank daarin niet. Dat uit de wijze van communiceren niet duidelijk blijkt dat [geïntimeerde] de opdrachtgever was en [appellant] opdrachtnemer, valt immers goed te verklaren uit de omstandigheid dat partijen destijds nog goed met elkaar bevriend waren en als vriendinnen met elkaar samenwerkten. De omstandigheid dat [geïntimeerde] tegen [appellant] zei dat ze er “samen” een succes van gingen maken, acht het hof niet doorslaggevend: zo spreekt ook een leidinggevende over de gezamenlijke inspanning van haar team. Hetzelfde geldt voor het WhatsAppbericht waaruit volgens de rechtbank lijkt te volgen dat [appellant] [geïntimeerde] soms ‘instructies’ gaf. Wat het hof betreft, komt uit de gevoerde correspondentie veeleer het beeld naar voren van twee vriendinnen die spontaan zijn gaan samenwerken, waarbij ook [appellant] zich vol enthousiasme inzette voor het bedrijf.
3.46
Het hof acht de feitelijke invulling die partijen aan hun samenwerking hebben gegeven van doorslaggevender belang dan de toon van hun WhatsAppberichten.
Uit de feitelijke taakverdeling, zoals die hiervoor door het hof is geschetst, blijkt duidelijk dat dat de rol van [appellant] ondergeschikt was aan die van [geïntimeerde] . Van een maatschap is geen sprake geweest.
De conclusie
3.47
Het principaal hoger beroep van [appellant] faalt. Haar vorderingen in principaal hoger beroep zullen worden afgewezen, zowel in de hoofdzaak als in het incident.
Grief 1 in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt. De tweede grief in het incidenteel hoger beroep behoeft om die reden geen behandeling.
3.48
Omdat de rechtbank de vorderingen van [appellant] in conventie in het dictum van haar vonnis heeft afgewezen, zal het hof het vonnis, voor zover gewezen in conventie, bekrachtigen onder verbetering van de gronden.
3.49
Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten veroordelen in het principaal hoger beroep, die van het incident daaronder begrepen, alsmede in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [3]
3.5
De proceskostenveroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
4.1
wijst de vorderingen af;
in de hoofdzaak, in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
4.2
bekrachtigt, onder verbetering van de gronden, het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 15 mei 2024;
in het principaal hoger beroep, het incident en het incidenteel hoger beroep:
4.3
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van
[geïntimeerde] in het principaal hoger beroep, die van het incident daaronder begrepen:
€ 2.053 aan griffierecht
€ 3.642 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (3 pt x appeltarief € 1.214)
4.4
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van
[geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep:
€ 607 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 pt x appeltarief € 607);
4.5
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.6
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, M. Willemse en W.D. de Boer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
28 oktober 2025.

Voetnoten

1.HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876
3.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853