Art. 225 lid 2 GemeentewetArt. 1 onder h Verordening parkeerbelastingen 2022Art. 10 lid 1 Parkeerverordening Ede 2021Art. 12 Parkeerverordening Ede 2021
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Ede
Belanghebbende kreeg op 16 mei 2022 een naheffingsaanslag opgelegd door de gemeente Ede wegens het niet betalen van parkeerbelasting voor zijn auto die op 14 april 2022 in een betaald parkeervak stond. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar van belanghebbende ongegrond, waarna de rechtbank Gelderland het beroep eveneens ongegrond verklaarde.
Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de zitting op 4 september 2025 was alleen de vertegenwoordiger van de heffingsambtenaar aanwezig; belanghebbende was afwezig. Het geschil betrof de vraag of het laten staan van de auto zonder betaling van parkeerbelasting op een betaald parkeerterrein terecht kon leiden tot een naheffingsaanslag, mede gelet op het strafrechtelijke parkeerverbod in artikel 10 vanPro de Parkeerverordening Ede 2021.
Het hof oordeelde dat het parkeren in de zin van de Gemeentewet en de Verordening parkeerbelastingen 2022 wel degelijk had plaatsgevonden, omdat het verbod uit artikel 10 lid 1 vanPro de Parkeerverordening Ede 2021 geen verbod inhoudt om op die parkeerplaatsen te parkeren, maar slechts een verbod om zonder betaling te parkeren. Dit laatste is geen verbod in de zin van de genoemde bepalingen waardoor naheffing mogelijk is. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/90
uitspraakdatum: 4 november 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 december 2023, nummer ARN 22/3832, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaarvan de gemeente Ede(hierna: de heffingsambtenaar)
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 16 mei 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Ede opgelegd ten bedrage van € 1,67, waarbij tevens een bedrag van € 66,50 aan kosten in rekening is gebracht.
1.2.
Het daartegen gerichte bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025. Daarbij is verschenen en gehoord [naam1] namens de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2.Vaststaande feiten
2.1.
Op 14 april 2022 stond een auto van belanghebbende (met kenteken [nummer1] ) (hierna: de auto) in een daartoe aangewezen parkeervak op het parkeerterrein op het [adres1] in Ede.
2.2.
In artikel 4 vanPro het Aanwijzingsbesluit gebieden parkeren voor vergunninghouders en betaald parkeren Ede 2021 (herziening) van 1 juni 2021 is het [adres1] aangewezen als plaats die bestemd is voor het parkeren door vergunninghouders in combinatie met betaald parkeren (parkeerapparatuur).
2.3.
Tijdens een controle op 14 april 2022 (om 10:48 uur) heeft de parkeercontroleur van de gemeente Ede geconstateerd dat er voor de auto geen of niet voldoende parkeergeld was betaald. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.4.
Belanghebbende was op 14 april 2022 geen vergunninghouder en voor de auto was op het moment van controle geen parkeerbelasting betaald.
3.Geschil
3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de vraag of aan belanghebbende, in verband met het laten staan van zijn auto in een parkeervak op het [adres1] zonder dat hij parkeerbelasting heeft betaald, een naheffingsaanslag parkeerbelasting kan worden opgelegd, nu het op deze wijze ‘parkeren’ volgens artikel 10, lid 1, van de Parkeerverordening Ede 2021 in strafrechtelijke zin is verboden.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt die vragen ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
4.Beoordeling van het geschil
4.1
Volgens artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet en artikel 1, onder h, van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022 (hierna: de Verordening parkeerbelastingen 2022) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
4.2.
In artikel 10, lid 1, van de Parkeerverordening Ede 2021 staat dat het verboden is om een motorvoertuig te parkeren op een betaald parkeerplaats, zonder de verschuldigde parkeerbelasting te betalen. Overtreding van dit verbod wordt volgens artikel 12 vanPro deze verordening gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de eerste categorie.
4.3.
Het Hof overweegt als volgt. Belanghebbende heeft zijn auto gedurende een aaneengesloten periode laten staan op een daartoe aangewezen betaald parkeerplaats in Ede. Er zou geen sprake zijn van parkeren in de zin van art. 225, lid 2, van de Gemeentewet en artikel 1, onder h, van de Verordening parkeerbelastingen 2022, indien dat parkeren gebeurt ‘op (…) terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan ingevolge een wettelijk voorschrift verboden is’. Deze laatste zinsnede bedoelt te voorkomen dat parkeerbelasting (na)geheven zou kunnen worden voor bepaalde plaatsen waar het verboden is te parkeren [1] . Dat gaat dus over terreinen of weggedeelten waarop zonder meer niet geparkeerd mag worden. Het verbod uit artikel 10, lid 1, van de Parkeerverordening Ede 2021 betreft echter geen verbod om op daartoe specifiek aangewezen parkeerplaatsen te parkeren. Op een dergelijke parkeerplaats mag immers – onder voorwaarde van betaling van parkeerbelasting – juist wel geparkeerd worden. Artikel 10, lid 1, betreft een verbod om zonder betaling op zo’n betaald parkeerplaats te parkeren en geldt dus voor het geval dat niet wordt voldaan aan de aan het parkeren gestelde voorwaarde van betaling. Dat is geen verbod als bedoeld in art. 225, lid 2, van de Gemeentewet en artikel 1, onder h, van de Verordening parkeerbelastingen 2022. Belanghebbende heeft zijn auto dan ook geparkeerd in de zin van die bepalingen. Belanghebbende was volgens de Verordening parkeerbelastingen 2022 gehouden om parkeerbelasting bij de aanvang van het parkeren op aangifte te voldoen. Nu hij dat niet heeft gedaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Daaraan doet niet af dat belanghebbende tevens het ‘niet-betaal-verbod’ uit artikel 10, lid 1, van de Parkeerverordening Ede 2021 heeft overtreden, terzake van welke overtreding niet is overgegaan tot strafrechtelijke handhaving.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
4.Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
5.Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Harthoorn, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 4 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (M. Harthoorn)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.