In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Ede. De heffingsambtenaar had op 16 mei 2022 een naheffingsaanslag van € 1,67 opgelegd, met bijkomende kosten van € 66,50. Het bezwaar van belanghebbende werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard, waarna belanghebbende in beroep ging bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de zitting op 4 september 2025 was de heffingsambtenaar vertegenwoordigd, terwijl belanghebbende zich afmeldde. De zaak draait om de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, gezien het feit dat belanghebbende zijn auto had geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te betalen. Het Hof overweegt dat het verbod om zonder betaling te parkeren niet gelijkstaat aan een verbod om te parkeren op een aangewezen parkeerplaats. Aangezien belanghebbende niet voldeed aan de betalingsverplichting, oordeelt het Hof dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, en er wordt geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegewezen.