ECLI:NL:GHARL:2025:6984

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
24/596 en 24/597
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake boxindeling schade-uitkering en proceskosten na brand woning

Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (ZVW) over 2018. Na een brand in 2016 was de woning van belanghebbende en haar ex-echtgenoot onbewoonbaar geworden. Zij hadden in hun aangiften gekozen voor fiscale partnerschap over het hele jaar 2018 en de schade-uitkering van verzekeraar Turien als nieuwbouwdepot in box 1 opgenomen.

De rechtbank had het beroep van belanghebbende deels gegrond verklaard voor de IB/PVV en de aanslag verminderd, maar het beroep ten aanzien van de ZVW ongegrond verklaard. In hoger beroep is het geschil beperkt tot de vraag of de schade-uitkering in box 1 of box 3 thuishoort en of vergoeding van werkelijke proceskosten toekomt. Belanghebbende trok haar hoger beroep tegen de ZVW-uitspraak in.

Het hof oordeelt dat de schade-uitkering reeds bij de ex-echtgenoot in box 3 is verwerkt en dat het betoog van belanghebbende hierover geen verbetering van haar positie oplevert. Het hoger beroep is daarom ongegrond. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die vergoeding van werkelijke proceskosten rechtvaardigen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat deze termijn niet is overschreden. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/596 en 24/597
uitspraakdatum: 4 november 2025
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 2 februari 2024, nummers ARN 23/1767 en 23/1768, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2018 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag ZVW ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ten aanzien van de IB/PVV gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur voor de IB/PVV vernietigd, de aanslag IB/PVV verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.231, de bijbehorende belastingrente (dienovereenkomstig) verminderd en een vergoeding van immateriële schade, proceskosten en betaald griffierecht toegekend. De Rechtbank heeft het beroep ten aanzien van de ZVW ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. C.A.H. Bikkers, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en mr. drs. [naam2] namens de Inspecteur. Met instemming van partijen is de zaak gelijktijdig behandeld met de zaken met de nummers ARN 24/598 en 24/599 van de heer [naam3] (hierna: de ex-echtgenoot). Ter zitting heeft belanghebbende haar hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank over de ZVW ingetrokken [1] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2.
Vaststaande feiten
2.1.
Na een brand op 17 december 2016 (hierna: de brand) was de woning van belanghebbende en de ex-echtgenoot aan de [adres1] 2 in [plaats1] (hierna: de woning) niet meer bewoonbaar.
2.2.
Belanghebbende en de ex-echtgenoot hebben met dagtekening 30 september 2018 een echtscheidingsconvenant getekend.
2.3.
In hun aangiften IB/PVV 2018 hebben belanghebbende en de ex-echtgenoot gekozen om het gehele jaar als fiscaal partner te worden aangemerkt.
2.4.
Verzekeringsmaatschappij Turien heeft de schade door de brand ten aanzien van de opstal (herbouwwaarde) vastgesteld. Belanghebbende en de ex-echtgenoot hebben dit in hun aangiften IB/PVV 2018 in box 1 opgenomen met de volgende omschrijving:
“Bouwdepot: Turien schadeuitkering brand, [nummer1]
Omschrijving Turien schadeuitkering brand
IBAN (rekeningnummer) [nummer1]
Soort depot Nieuwbouwdepot
Hoort dit depot bij een hypotheek voor
uw (toekomstige) hoofdverblijf? Ja
Datum overeenkomst depot 14-07-2017
Datum contract aannemer 31-12-2018
Is de (ver)bouw in 2018 of eerder voltooid? Nee
Saldo op 1 januari 2018 € 688.766
Saldo op 31 december 2018 € 629.560
Bijgeschreven rente in 2018 € 0”
2.5.
De woning is herbouwd. Na de herbouw is belanghebbende in de woning gaan wonen.
2.6.
Volgens het kadaster is de woning op 20 januari 2023 aan belanghebbende toebedeeld.
2.7.
Belanghebbende en de ex-echtgenoot hebben afgesproken dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) voor het jaar 2018 uitsluitend bij de ex-echtgenoot in aanmerking wordt genomen.

3.Compromis

3.1.
Partijen zijn ter zitting bij wijze van compromis overeengekomen dat:
- voor de jaren 2018 en 2019 geen sprake is van aftrekbare rentekosten ter zake van de woning; en
- voor het jaar 2020 sprake is van aftrekbare rentekosten tot 50% van de in dat jaar betaalde rente ter zake van de woning en dat deze aftrek uitsluitend door belanghebbende kan worden genoten.
3.2.
Het Hof zal, voor zover in deze zaak over het jaar 2018 van belang, beslissen overeenkomstig dit compromis.

4.Geschil

4.1.
Het onder 3.1 vermelde compromis heeft tot gevolg dat in onderhavige zaak in hoger beroep uitsluitend nog in geschil is:
- of de schade-uitkering van Turien als ‘nieuwbouwdepot’ tot box 1 of box 3 behoort; en
- of recht bestaat op vergoeding van werkelijke proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase.
Voorts heeft belanghebbende verzocht om schadevergoeding.
4.2.
Belanghebbende stelt dat zij de schade-uitkering terecht als ‘nieuwbouwdepot’ tot haar box 1 vermogen heeft gerekend en dat zij recht heeft op vergoeding van haar werkelijke proceskosten.
4.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanspraak op schade-uitkering behoort tot het box 3 vermogen en dat geen recht bestaat op vergoeding van de werkelijke proceskosten.

5.Beoordeling van het geschil

Schade-uitkering
5.1.
In de aanslagen IB/PVV 2018, zoals die luiden na de uitspraak van de Rechtbank, is de schade-uitkering door Turien uitsluitend bij de ex-echtgenoot in box 3 in aanmerking genomen. Het betoog van belanghebbende dat deze schade-uitkering als een nieuwbouwdepot in box 1 in aanmerking moet worden genomen, kan daarom belanghebbende niet in een betere positie brengen met betrekking tot haar aanslag IB/PVV 2018. Dit betoog behoeft dan ook geen behandeling in onderhavige procedure en zal uitsluitend in de procedure van de ex-echtgenoot worden beoordeeld.
5.2.
Dit betekent dat de aanslag IB/PVV 2018 van belanghebbende niet te hoog is vastgesteld en het hoger beroep in zoverre ongegrond is.
5.3.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Werkelijke proceskosten voor bezwaar en beroep?
5.4.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor de werkelijke kosten van bezwaar en beroep heeft toegekend.
5.5.
Het Hof ziet geen reden om aan te nemen dat de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 tegen beter weten heeft opgelegd, in bezwaar tegen beter weten in in stand heeft gelaten en in beroep tegen beter weten in heeft verdedigd, of dat de Inspecteur overigens in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar het oordeel van het Hof is er daarom geen sprake van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die zouden moeten leiden tot een vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase.
Verzoek om schadevergoeding
5.6.
Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat zij het verzoek om schadevergoeding enkel heeft opgenomen voor de situatie dat de redelijke termijn in hoger beroep zou worden overschreden. Het Hof heeft het hoger beroepschrift van belanghebbende op 14 maart 2024 ontvangen. Sindsdien is tot het moment dat het Hof deze uitspraak doet minder dan twee jaar verstreken, zodat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden. Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

6.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

7.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door, mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 4 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.De intrekking betreft zaaknummer BK-ARN 24/597 (bij de Rechtbank ARN 23/1768).