Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:7080

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
21-001391-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 495a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanhoudingsverzoek en niet-ontvankelijkheid minderjarige verdachte in hoger beroep

Deze zaak betreft een minderjarige verdachte die in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld tot jeugddetentie. De verdachte was op het moment van de zitting vermist en had geen bekende verblijfplaats in Nederland. Hoewel de verdachte zich later meldde bij zijn voogd, vertrok hij opnieuw met onbekende bestemming en verscheen niet op afspraken met de Raad voor de Kinderbescherming.

De advocaat van de verdachte verzocht om aanhouding van de zitting zodat de minderjarige aanwezig kon zijn, maar het hof oordeelde dat het belang van een spoedige en doeltreffende berechting zwaarder weegt dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Gezien het ontbreken van grieven tegen het vonnis en het ontbreken van redenen voor inhoudelijke behandeling, verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 september 2025. De beslissing weerspiegelt een belangenafweging tussen het recht op aanwezigheid van de minderjarige en het belang van een ordentelijke rechtsgang en rechtspleging.

Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001391-25
Uitspraak d.d.: 23 september 2025
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 13 maart 2025 met parketnummer 16-407737-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 2008,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 september 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Op de zitting van het hof is mr. Van Viegen als niet gemachtigd raadsman van verdachte verschenen. Ook was de benadeelde partij aanwezig.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De niet-gemachtigd raadsman heeft ter terechtzitting met een beroep op het aanwezigheidsrecht van een verdachte een aanhoudingsverzoek gedaan zodat [verdachte] op een volgende zitting bij de behandeling aanwezig kan zijn.
De advocaat-generaal heeft zich tegen aanhouding verzet. Voorts heeft hij verzocht de [verdachte] niet-ontvankelijk in het hoger beroep te verklaren, nu tegen het vonnis geen grieven zijn ingediend en het openbaar ministerie geen redenen ziet om de zaak inhoudelijk te behandelen.
Bij de beoordeling van het aanhoudingsverzoek moet het hof een afweging maken tussen alle bij de aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
Daarbij is in deze zaak artikel 495a van het Wetboek van Strafvordering van belang. Daaruit volgt - kort gezegd - dat de jeugdige verdachte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, verplicht is in persoon ter terechtzitting te verschijnen. In geval de verdachte niet is verschenen houdt het gerecht het onderzoek ter terechtzitting aan en beveelt het de medebrenging van de verdachte. Een dergelijk bevel kan onder meer achterwege blijven indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is.
Uit het dossier blijkt dat [verdachte] , die nu 17 jaar is, op 9 januari 2025 als vermist is opgegeven. De dagvaarding om op zitting van de kinderrechter te verschijnen is op rechtsgeldige wijze, maar niet in persoon, betekend. Vervolgens is [verdachte] op 13 maart 2025 door de kinderrechter bij verstek veroordeeld tot twee maanden jeugddetentie met een voorwaardelijk gedeelte van een maand met een proeftijd van twee jaren.
[verdachte] heeft zich daarna in maart 2025 weer bij zijn voogd gemeld. Naar aanleiding van dit bericht heeft de raadsman contact met [verdachte] opgenomen, waarna is besloten om tegen het vonnis van de kinderrechter hoger beroep in te stellen.
De dagvaarding om op de zitting van het hof te verschijnen is op rechtsgeldige wijze, maar niet in persoon, betekend. Vanwege deze zitting heeft de Raad voor de Kinderbescherming geprobeerd onderzoek te doen, maar uit het bericht van 18 september 2025 blijkt dat de voogd van [verdachte] heeft aangegeven dat hij al langere tijd met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij ook al maanden niet op de COA-locatie in [plaats] is gezien. Voorts is hij ook niet verschenen op de afspraak met de Raad voor de Kinderbescherming op 15 september 2025.
Daarnaast is het hof uit het dossier gebleken dat [verdachte] in Nederland geen geldige verblijfstitel (meer) heeft en dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd.
Het hof ziet gelet op het voorgaande onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen aannemen dat [verdachte] , na aanhouding van de zaak, ter terechtzitting zal verschijnen. Dat betekent ook dat hij niet voor zijn achttiende verjaardag, die op 1 januari 2026 is, ter zitting zal kunnen verschijnen. Het is gebruikelijk om in dergelijke gevallen dan ook geen toepassing meer te geven aan het bepaalde uit artikel 495a van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof is derhalve van oordeel dat het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting thans zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht. Het aanhoudingsverzoek wordt daarom afgewezen.
Nu de verdachte geen bezwaren tegen het vonnis van de kinderrechter heeft opgegeven en het hof zelf ook geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken, ziet het hof in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. J. Steenbrink, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. I.M. Nusselder, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Klein, griffier,
en op 23 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. I.M. Nusselder is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen