ECLI:NL:GHARL:2025:7134

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
200.354.837
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:264 BWArt. 1:265 BWArt. 1:265f BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling moeder en haar uithuisgeplaatste kinderen

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen een beschikking van de kinderrechter die een zorgregeling vaststelde voor haar drie uit huis geplaatste kinderen, allen onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder wenste een uitbreiding van de contactmomenten, terwijl de GI de huidige regeling wilde handhaven of slechts beperkte uitbreiding wilde toestaan.

De zorgregeling betrof begeleid contact één keer per vier weken voor de kinderen, met extra contact op verjaardagen en maandelijkse belcontacten. De raad voor de kinderbescherming benadrukte het belang van stabiliteit voor de kinderen, vooral gezien traumabehandelingen van twee van hen, en adviseerde terughoudendheid in uitbreiding van contact.

Het hof oordeelde dat voor de twee kinderen met traumabehandeling de frequentie van contact gehandhaafd blijft, maar de duur wordt uitgebreid naar drie uur. Voor het derde kind, die recent uit een pleeggezin moest vertrekken en een onstabiele situatie kent, wordt de zorgregeling uitgebreid met onbegeleid contact en vanaf 1 februari 2026 met overnachtingen bij de moeder. Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de zorgregeling betrof en stelde de nieuwe regeling vast in het belang van de kinderen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling en bepaalt uitbreiding van contact en overnachtingen voor het derde kind, terwijl contact voor de andere twee kinderen wordt gehandhaafd met langere duur.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.837
(zaaknummer rechtbank Gelderland 446264)
beschikking van 13 november 2025
inzake
[appellant],
wonende in Voorthuizen, gemeente Barneveld,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N.C. Milani,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd in Zwolle,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders van [minderjarige1] en [minderjarige2],
die wonen op een geheim adres.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 3 februari 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 mei 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 29 september 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 2 oktober 2025 met een productie.
2.2
[minderjarige3] heeft op 6 oktober 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof over de wijze van invulling van het contact tussen hem en de moeder.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
De moeder en [persoon1] zijn de ouders van:
  • [minderjarige3] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [minderjarige1] , geboren op [geboortedatum] ;
  • [minderjarige2] , geboren op [geboortedatum] .
De moeder heeft het gezag over [minderjarige3] , [minderjarige1] en [minderjarige2] . Het hof zal daarom hierna de termen “
zorgregeling” gebruiken in plaats van “
omgangsregeling” en “
contact” in plaats van “
omgang”.
3.2
[minderjarige3] , [minderjarige1] en [minderjarige2] staan onder toezicht van de GI en zijn uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing lopen tot 25 oktober 2025. [minderjarige3] verblijft in een gezinshuis. [minderjarige1] en [minderjarige2] verblijven samen in een pleeggezin.
3.3
Nadat de GI twee keer eerder een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven over de zorgregeling tussen de moeder en de kinderen en deze zorgregelingen op initiatief van de GI vervolgens zijn stopgezet, heeft de GI op 13 november 2024 een nieuwe schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder en als zorgregeling vastgesteld dat:
de moeder één keer per vier weken twee uur begeleid contact heeft met [minderjarige1] en [minderjarige2] op een neutrale plek heeft, op de zaterdag van 13.00 - 15.00 uur, en een keer per vier weken twee uur begeleid contact met [minderjarige3] op een neutrale plek op de dinsdag van 15.00 - 17.00 uur. Verder is het belcontact tussen de kinderen en moeder uitgewerkt in een terugkerende reeks.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen de moeder en de GI is in hoger beroep in geschil de invulling van het recht op contact van de moeder met [minderjarige3] , [minderjarige1] en [minderjarige2] .
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter:
- de schriftelijke aanwijzing van 13 november 2024 vervallen verklaard; en
- de volgende zorgregeling vastgesteld tussen de moeder en de kinderen:
de moeder heeft een keer per vier weken twee uur begeleid contact met [minderjarige1] en [minderjarige2] op een neutrale plek, op de zaterdag van 13.00 - 15.00 uur, en een keer per vier weken twee uur begeleid contact met [minderjarige3] op een neutrale plek op de dinsdag van 15.00 - 17.00 uur. Op de verjaardagen van [minderjarige1] , [minderjarige2] , [minderjarige3] , [persoon2] (overleden) en de moeder is er een extra begeleid contactmoment met alle kinderen tegelijk. Verder is er elke maand een belcontact tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] , en tussen de moeder en [minderjarige3] .
4.2
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter en komt in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat haar verzoeken alsnog worden toegewezen waardoor er (een opbouw in de) uitbreiding van de contactmomenten tussen haar en de kinderen zal zijn dan wel een zorgregeling tussen haar en de kinderen vast te stellen als het hof juist acht.
4.3
De GI voert verweer. De GI vraagt het hof het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Wat in de wet staat
5.1
Als een ouder het niet eens is met de beperking van het contact met zijn of haar kind tijdens een uithuisplaatsing, kan die ouder dat op grond van de artikelen 1:265f, 1:264 en 1:265 Burgerlijk Wetboek aan de kinderrechter voorleggen. De kinderrechter kan dan een regeling vaststellen. De rechter moet daarbij vooral kijken naar de vraag welke regeling wenselijk is in het belang van de kinderen. Dat is in dit geval ook de kern van het geschil. Het hof merkt daarbij op dat de kinderrechter weliswaar de schriftelijke aanwijzing vervallen heeft verklaard, maar enkel en alleen vanwege gebreken in de wijze van totstandkoming. Vervolgens heeft de kinderrechter exact dezelfde regeling vastgelegd als in de aanwijzing.
De standpunten van de moeder en de GI
5.2
De moeder wil dat de huidige zorgregeling, zoals die is vastgelegd in de bestreden beschikking, wordt uitgebreid. Het contact met de kinderen gaat volgens de moeder goed. Er zijn geen redenen om de zorgregeling tussen haar en de kinderen niet uit te breiden en een uitbreiding van het contact is in het belang van de kinderen.
5.3
De GI stelt dat de zorgregeling waarbij sprake is van eenmaal per maand begeleid contact tussen de moeder en de kinderen niet lichtzinnig tot stand is gekomen. Het is het resultaat van externe aanbevelingen (van pleegzorg en Curess) en het nauwkeurig afwegen van alle belangen. Het doel van deze zorgregeling is om het contact te stabiliseren, waardoor gewerkt kan worden aan een waardevolle en bestendige moeder-kind relatie. Het feit dat uit de rapportages over de begeleide contactmomenten blijkt dat het goed gaat, is positief. Daarom is intern opnieuw naar de zorgregeling gekeken en is besloten het contact tussen de moeder en [minderjarige3] enigszins uit te breiden en zijn daarom extra contactmomenten gepland. Voor [minderjarige1] en [minderjarige2] is het contact met de moeder qua frequentie hetzelfde gebleven, maar qua duur wordt deze uitgebreid van twee uur naar drie uur. [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben naast een druk weekprogramma, ook spel- en traumatherapie bij EPP-Ermelo. Dit vraagt veel van beide meisjes, en ook van de pleegouders, die hierin ondersteuning vanuit EPP ontvangen. Verder heeft de GI op de zitting gezegd dat er op dit moment geen goede samenwerking is met de moeder en dat zij dit wel belangrijk vinden om tot een eventuele verdere uitbreiding van de zorgregeling te komen.
Het advies van de raad
5.4
Omdat uit perspectiefonderzoek is gebleken dat terugplaatsing van de kinderen bij de moeder niet meer aan de orde is, krijgt het contact tussen de moeder en de kinderen volgens de raad op de zitting een andere lading dan wanneer nog gewerkt wordt aan een terugplaatsing. Het contact is vooral van belang voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen en het behouden van een band met de moeder. Gelet op de leeftijd van [minderjarige1] en [minderjarige2] is een frequentie van één keer per maand drie uur contact met de moeder passend. Dit contact is structureel en qua duur lang genoeg om een band met de moeder te behouden. Voor [minderjarige1] en [minderjarige2] is het belangrijk dat zij de ruimte krijgen hun sociaal leven op te bouwen op de plek waar ze wonen. De raad houdt ook rekening met het feit dat [minderjarige1] en [minderjarige2] nog traumabehandeling krijgen en dat vraagt stabiliteit en zo min mogelijk veranderingen. Daarom is dit niet het moment de frequentie van het contact uit te breiden. Voor [minderjarige3] ligt dat volgens de raad anders, omdat hij ouder is en zijn situatie anders is. Omdat [minderjarige3] vanwege een onhoudbare situatie in het pleeggezin recent per direct weg moest uit zijn pleeggezin naar een gezinshuis, voelt hij zich enorm afgewezen door volwassenen. Volgens de raad heef [minderjarige3] zijn moeder nodig en moet gekeken worden wat ervoor nodig is om het contact met de moeder uit te breiden. De raad begrijpt dat de GI voor een uitbreiding van het contact het belangrijk vindt dat zij in gesprek zijn met de moeder, want duidelijk moet zijn wat de moeder [minderjarige3] kan bieden en of daarbij hulpverlening nodig is.
Het oordeel van het hof
5.5
Wat de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] betreft, zal het hof geen wijziging aanbrengen in de frequentie waarin de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] elkaar zien: dit blijft eenmaal per vier weken. Wel is de zorgregeling na de bestreden beschikking in duur uitgebreid. Het hof acht het voor de duidelijkheid voor alle betrokkenen wenselijk dat de huidige zorgregeling, waarbij de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] elkaar één keer per vier weken gedurende drie uur zien als minimale zorgregeling in deze beschikking wordt vastgelegd. Het hof is met de raad van oordeel deze zorgregeling in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] momenteel het maximaal haalbare is. [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn na de zomervakantie gestart met traumaverwerkingstherapie en een voorwaarde voor traumabehandeling is dat de omgeving rustig en stabiel is. Daarbij past het niet om het contact op dit moment uit te breiden, omdat ervaren wordt dat het huidige contact goed verloopt en [minderjarige1] en [minderjarige2] op deze manier niet worden overvraagd in hun wekelijkse ritme met onder meer school, therapie en (sociale) activiteiten. Het betekent niet dat de huidige zorgregeling de komende jaren in beton gegoten is, maar afhankelijk van het verloop van de traumaverwerkingstherapie ligt het op de weg van de GI om te onderzoeken of op de lange duur uitbreiding van het contact in uren of in frequentie mogelijk is, waarbij de belangen van [minderjarige1] en [minderjarige2] voorop moeten staan.
5.6
Sinds de bestreden beschikking is er veel veranderd in de situatie van [minderjarige3] . [minderjarige3] woonde in een pleeggezin, maar hij moest daar in maart 2025 binnen twee dagen weg omdat hij voor een tweede keer was geschorst op school wegens fysiek geweld. Zoals de GI schrijft in het verweerschrift was dit een zware teleurstelling voor [minderjarige3] . Het was namelijk een perspectief biedende plek en [minderjarige3] had zijn plek gevonden in dit gezin. [minderjarige3] heeft al op meerdere plekken gewoond, heeft meerdere opvoeders gehad en ook nu woont hij niet op een plek waar hij zal blijven. Anders dan bij [minderjarige1] en [minderjarige2] is bij [minderjarige3] dus geen sprake van een stabiele en veilige opvoedomgeving. Het hof acht het aannemelijk dat [minderjarige3] in zijn huidige situatie behoefte heeft aan de ondersteuning van zijn moeder, zoals ook de raad heeft gezegd. Het hof constateert dat op dit moment de moeder voor [minderjarige3] de enige stabiele factor in zijn leven is, want er is sprake van structureel contact en dit contact verloopt in elk geval vanaf april van dit jaar goed. Naast alles wat [minderjarige3] in zijn jonge leven al heeft meegemaakt, heeft hij ook eigen problematiek waaronder trauma, hechtingsproblematiek en een verstandelijke beperking (IQ 84). Het hof vindt het daarom in het belang van [minderjarige3] dat in de komende periode de zorgregeling wordt uitgebreid met een overnachting van [minderjarige3] bij de moeder. Dit is ook de wens van [minderjarige3] . Daarvoor is het nodig dat de moeder en de GI de komende periode gaan gebruiken om hun onderlinge relatie te verbeteren en gaan samenwerken om de voorwaarden te creëren waardoor het mogelijk is dat [minderjarige3] met ingang van 1 februari 2026 één keer per twee weken gaat overnachten bij de moeder.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 3 februari 2025 maar alleen voor zover deze ziet op de daarin vastgelegde zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt als minimale zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] vast dat er één keer per vier weken drie uur begeleid contact is op een neutrale plek, waarbij de exacte uitvoering en eventuele verdere uitbreiding van deze regeling wordt overgelaten aan de GI;
stelt als minimale zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige3] vast dat tot 1 februari 2026 er één keer per vier weken twee uur begeleid contact is op een neutrale plek en één keer per vier weken drie uur onbegeleid contact en vanaf 1 februari 2026 één keer per twee weken een overnachting, waarbij de exacte uitvoering en eventuele verdere uitbreiding van deze regeling wordt overgelaten aan de GI;
stelt vast dat op de verjaardagen van [minderjarige1] , [minderjarige2] , [minderjarige3] , [persoon2] (overleden) en de moeder er een extra begeleid contactmoment is met alle kinderen tegelijk en dat er elke maand een belcontact tussen de moeder en [minderjarige1] en [minderjarige2] , en tussen de moeder en [minderjarige3] is;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, S. Kuijpers en D.J.I. Kroezen en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.