De moeder is in hoger beroep gegaan tegen een beschikking van de kinderrechter die een zorgregeling vaststelde voor haar drie uit huis geplaatste kinderen, allen onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder wenste een uitbreiding van de contactmomenten, terwijl de GI de huidige regeling wilde handhaven of slechts beperkte uitbreiding wilde toestaan.
De zorgregeling betrof begeleid contact één keer per vier weken voor de kinderen, met extra contact op verjaardagen en maandelijkse belcontacten. De raad voor de kinderbescherming benadrukte het belang van stabiliteit voor de kinderen, vooral gezien traumabehandelingen van twee van hen, en adviseerde terughoudendheid in uitbreiding van contact.
Het hof oordeelde dat voor de twee kinderen met traumabehandeling de frequentie van contact gehandhaafd blijft, maar de duur wordt uitgebreid naar drie uur. Voor het derde kind, die recent uit een pleeggezin moest vertrekken en een onstabiele situatie kent, wordt de zorgregeling uitgebreid met onbegeleid contact en vanaf 1 februari 2026 met overnachtingen bij de moeder. Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de zorgregeling betrof en stelde de nieuwe regeling vast in het belang van de kinderen.