De vader en moeder hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, dat oorspronkelijk bij de moeder woonde. Sinds maart 2025 woonde het kind tijdelijk bij de grootmoeder van vaderszijde en vanaf april 2025 volledig bij de vader en diens partner.
De rechtbank Gelderland wees in juni 2025 het verzoek van de vader af om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van een ondertoezichtstelling. In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de omstandigheden zijn gewijzigd doordat het kind al bij de vader woont.
Tijdens de zitting bereikten de ouders overeenstemming over het wijzigen van de hoofdverblijfplaats naar de vader. De moeder trok haar verzet in, omdat dit rust en duidelijkheid voor het kind zou brengen. Het hof vernietigde de eerdere beschikking over de hoofdverblijfplaats en bepaalde deze bij de vader.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigde het hof de beschikking tot de datum van de beschikking, maar vernietigde deze vanaf dat moment en wees het verzoek van de raad af. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Deze beslissing weerspiegelt het belang van het kind en de gewijzigde feitelijke situatie, waarbij het hof het gezamenlijke gezag en de wensen van de ouders respecteert.