ECLI:NL:GHARL:2025:7138

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
200.354.594
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de wijziging van de zorgregeling en de kinderalimentatie tussen de ouders van twee minderjarige kinderen. De ouders, die in 2021 zijn gescheiden, hebben samen het gezag over de kinderen. De moeder, verzoekster in het principaal hoger beroep, was het niet eens met de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland over de kinderalimentatie, terwijl de vader, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, het niet eens was met de zorgregeling en de kinderalimentatie zoals vastgesteld door de rechtbank. Het hof heeft vastgesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, waaronder lagere kinderopvangkosten, en heeft de kinderalimentatie vastgesteld op € 384,50 per kind per maand, met ingang van 17 februari 2025. De zorgregeling is ook gewijzigd, waarbij de kinderen na de kerstvakantie 2025 in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week van maandag uit school tot woensdag bij de vader zullen zijn. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover deze betrekking had op de kinderalimentatie en de zorgregeling na de kerstvakantie 2025, en heeft de eerdere beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor de periode tot de kerstvakantie 2025. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere ouder zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.594
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580995)
beschikking van 13 november 2025
inzake
[appellant],
wonende in [woonplaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J. van Elk,
en
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. B.J. de Deugd.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 580995.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 mei 2025;
- het verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroep, met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
- een brief namens de vader van 27 augustus 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 29 augustus 2025 met een begeleidende brief en producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 3 september 2025 met een begeleidende brief en producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 september 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de moeder en de vader is op 13 december 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (van 1 december 2021) in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren op [geboortedatum]
- [minderjarige2] , geboren op [geboortedatum] .
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.
3.3
In het ouderschapsplan van 10 november 2021 hebben de moeder en de vader, voor zover hier relevant, afspraken gemaakt over de zorgregeling en de kinderalimentatie. In de beschikking van 1 december 2021 heeft de rechtbank Amsterdam bepaald dat de inhoud van het ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. Verder heeft de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie bepaald dat de vader een bedrag van € 1.019,30 per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige1] aan de moeder moet betalen.
3.4
Bij beschikking van 11 november 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, de zorgregeling gewijzigd en bepaald dat de kinderen in de ene week van zaterdag 09.00 uur tot maandag naar school of de kinderopvang, iedere week op maandag- en woensdagmiddag na de kinderopvang tot 18.00 uur en tijdens de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader zijn. De vader brengt en haalt de kinderen. Verder heeft de rechtbank de kinderalimentatie gewijzigd naar € 600,- per kind per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking van 17 februari 2025 heeft de rechtbank (met wijziging van de beschikking van 11 november 2022) de navolgende zorgregeling vastgesteld:
- de kinderen zijn in de ene week van zaterdag 09.00 uur tot maandag naar school of de kinderopvang en in de andere week van maandag uit school of de kinderopvang tot woensdag 18.00 uur bij de vader;
  • de kinderen zijn in de voorjaarsvakantie in de oneven jaren vijf dagen en in de even jaren twee dagen bij de vader, en in de oneven jaren twee dagen en in de even jaren vijf dagen bij de moeder;
  • de kinderen zijn in de meivakantie in de oneven jaren in week 1 en in de even jaren in week 2 bij de vader, en in de oneven jaren in week 2 en in de even jaren in week 1 bij de moeder;
  • de kinderen zijn in de zomervakantie in de oneven jaren in week 3, 4 en 6 en in de even jaren in week 1, 2 en 5 bij de vader, en in de oneven jaren in week 1, 2 en 5 en in de even jaren in week 3, 4 en 6 bij de moeder;
  • de kinderen zijn in de herfstvakantie in de oneven jaren twee dagen en in de even jaren vijf dagen bij de vader, en in de oneven jaren vijf dagen en in de even jaren twee dagen bij de moeder;
  • de kinderen zijn in de kerstvakantie in de oneven jaren in week 2 en in de even jaren in week 1 bij de vader, en in de oneven jaren in week 1 en in de even jaren in week 2 bij de moeder;
- de kinderen zijn in de even jaren op 24 december van 16.00 uur tot de volgende dag 10.00 uur bij de vader, en in de oneven jaren bij de moeder;
- de kinderen zijn in de oneven jaren op 1e kerstdag bij de vader, en in de even jaren bij de moeder;
  • de kinderen zijn in de even jaren op 2e kerstdag en met oud en nieuw bij de vader, en in de oneven jaren bij de moeder;
  • als de verjaardag van [minderjarige1] in het eerste weekend van de vakantie is, viert zij haar verjaardag bij de ouder bij wie ze dan is volgens de reguliere zorgregeling, als de verjaardag van [minderjarige1] in de eerste week van de zomervakantie is, viert zij haar verjaardag op vakantie en kan de ouder bij wie ze niet is met haar videobellen;
  • voor de verjaardag van [minderjarige2] geldt hetzelfde;
  • op de verjaardagen van de kinderen zijn zij bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling zijn en viert de ouder bij wie de kinderen dan niet zijn de verjaardag op een later moment;
- op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder van 16.00 uur tot de volgende dag 16.00 uur, waarbij de vader de kinderen naar de moeder brengt en de moeder de kinderen terugbrengt naar de vader (als de kinderen volgens de reguliere zorgregeling niet bij de moeder zijn);
- op Vaderdag zijn de kinderen bij de vader van 16.00 uur tot de volgende dag 16.00 uur, waarbij de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader de kinderen terugbrengt naar de moeder (als de kinderen volgens de reguliere zorgregeling niet bij de vader zijn).
Verder heeft de rechtbank (met wijziging van genoemde beschikking van 11 november 2022) bepaald dat de vader vanaf 17 februari 2025 € 1.005,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen voor beide kinderen samen.
4.2
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie. Zij is in hoger beroep gegaan (
principaal hoger beroep). Zij verzoekt het hof de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie te vernietigen en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot wijziging van de vastgestelde kinderalimentatie naar € 250,- per kind per maand of dit verzoek af te wijzen.
4.3
De vader is het niet eens met het verzoek van de moeder in hoger beroep en ook niet met de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling en de kinderalimentatie. Hij is zelf ook in hoger beroep gegaan (
incidenteel hoger beroep). Hij verzoekt het hof alsnog zijn verzoeken in eerste aanleg over de zorgregeling en de kinderalimentatie toe te wijzen.
4.4
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader in hoger beroep. Zij vraagt het hof de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling en de kinderalimentatie te bekrachtigen met inachtneming van het door haar in hoger beroep gestelde.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
5.1
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen en dat betekent onder andere dat zij samen beslissen over de zorgregeling. Een geschil daarover kan op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd (artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)). De rechter kan een rechterlijke beslissing over de zorgregeling wijzigen als de omstandigheden daarna zijn gewijzigd (artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e BW). De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.2
Dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, is tussen de ouders niet in geschil en is op grond van de stukken en de toelichting tijdens de zitting voldoende vast komen te staan.
5.3
De vader heeft verzocht om een co-ouderschapsregeling waarin de kinderen de ene week bij hem en de andere week bij de moeder zijn. Het hof is het met de rechtbank en de raad eens dat de stap naar een co-ouderschapsregeling in de vorm van een week-op-week-af-regeling te groot is. Er is veel spanning tussen de ouders en de dynamiek tussen hen is zorgelijk. Zo hebben de ouders een verschillende lezing over de incidenten die de afgelopen periode hebben plaatsgevonden tussen de vader, de partner van de moeder en de grootmoeder (moederszijde) en lijken ze vooral bezig te zijn om hun gelijk te halen. De wens van de vader om de kinderen meer te zien is begrijpelijk, maar de communicatie tussen de ouders is daarvoor te problematisch en er is een gebrek aan vertrouwen in elkaar en in elkaars rol als mede-opvoeder. De kinderen en met name [minderjarige1] lijken al last te hebben van de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en daardoor bestaat de grote kans dat dit tot loyaliteitsconflicten gaat leiden. De door de vader verzochte wijziging van de zorgregeling acht het hof daarom op dit moment niet in het belang van de kinderen. Anders dan de vader stelt betekent de door rechtbank vastgestelde zorgregeling wel degelijk een uitbreiding in die zin dat de kinderen meer uren bij de vader verblijven omdat de kinderen vaker bij hem slapen dan voorheen. Het hof ziet wel aanleiding de zorgregeling te wijzigen voor het moment dat [minderjarige2] naar school gaat, zoals besproken met de ouders op de zitting. Dit betekent dat na de kerstvakantie 2025 de zorgregeling zal wijzigen in die zin dat de kinderen in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school bij de vader zullen zijn.
Kinderalimentatie
5.4
De vader heeft aan zijn inleidend verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Op grond van dit artikel kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Gebleken is dat de kinderopvangkosten lager zijn geworden. Dit is naar het oordeel van het hof een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt.
5.5
De door de rechtbank bepaalde ingangsdatum conform het inleidend verzoek van de vader, te weten de datum van de beschikking van 17 februari 2025, is niet in geschil.
5.6
Het hof stelt vast dat de ouders oorspronkelijk afspraken hebben gemaakt over de kinderalimentatie in het ouderschapsplan van 10 november 2021. Deze afspraken zijn nadien bij beschikking van 11 november 2022 door de rechtbank gewijzigd. Anders dan de moeder stelt heeft de rechtbank in die beschikking niet overwogen dat de ouders bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De rechtbank heeft geoordeeld dat, los van de vraag of de ouders wel of niet bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, de afspraak van de ouders over de kinderalimentatie in het ouderschapsplan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De vader kon volgens de rechtbank niet aan de afspraken van de ouders worden gehouden, omdat zijn inkomen onvoldoende was om de afspraken na te komen en omdat de vader meer zorgkosten had doordat de rechtbank een ruimere zorgregeling had vastgesteld. Bij de bepaling van een nieuw, redelijk, bedrag aan alimentatie heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de ouders indertijd bij het maken van de afspraken de bedoeling hadden om ten gunste van de kinderen af te wijken van de wettelijke maatstaven en de moeder heeft afgezien van partneralimentatie. Van de beschikking waarin dit is vastgelegd is geen van de ouders indertijd in hoger beroep gekomen.
5.7
Bij de hernieuwde beoordeling zoals onder 5.4 genoemd, ziet het hof net als de rechtbank in 2022 aanleiding enerzijds rekening te houden met de afspraken van de ouders van destijds (waarbij de ouders ten gunste van de kinderen een hogere kinderalimentatie hebben afgesproken dan zou zijn vastgesteld aan de hand van de destijds geldende alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie) en anderzijds met het inkomen van de vader en de daarbij behorende draagkracht. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.8
De hoogte van kinderalimentatie wordt bepaald op basis van behoefte en draagkracht.
Het hof kan de behoefte van de kinderen niet vaststellen. In het ouderschapsplan staat niets over de behoefte van de kinderen, maar alleen welk aandeel de vader in de kosten van de kinderen voor zijn rekening zal nemen. Dit aandeel is gebaseerd op een door de moeder overgelegd overzicht van de kosten van de kinderen, welk overzicht volgens haar is gebruikt bij de mediation. Stukken ter onderbouwing van de in dit overzicht genoemde bedragen ontbreken en deze bedragen worden door de vader betwist. Ook heeft het hof onvoldoende gegevens om op basis van de overgelegde stukken zelf de behoefte uit te rekenen, omdat inkomensgegevens van de moeder uit 2021 ontbreken en ook de gegevens over de kosten van de kinderopvang en de kinderopvangtoeslag in 2021.
De vader vraagt bij de berekening van de kinderalimentatie rekening te houden met een zorgkorting. Om de zorgkorting te kunnen berekenen, moet het hof weten wat de behoefte van de kinderen is. Nu de behoefte van de kinderen onbekend is, kan de hoogte van de zorgkorting niet worden vastgesteld en kan ook niet worden beoordeeld of de zorgkorting helemaal door de vader kan worden verzilverd.
5.9
Wat betreft de draagkracht van de vader volgt het hof de door hem overgelegde draagkrachtberekening (productie 26 bij journaalbericht van 27 augustus 2025) waaruit een draagkracht blijkt van € 769,- per maand, zijnde € 384,50 per kind per maand. Deze draagkrachtberekening is niet betwist door de moeder. De in 2022 vastgestelde bijdrage van € 1.200,- per maand bedraagt geïndexeerd naar 2025 (afgerond) € 1.403,- per maand. Deze alimentatieverplichting is bijna een keer zo hoog als zijn draagkracht.
5.1
Nu de behoefte van de kinderen niet vastgesteld kan worden en duidelijk is dat de vader een kinderalimentatieverplichting heeft die € 634,- meer bedraagt dan de op basis van de Expertgroep Alimentatie berekende draagkracht, terwijl de ouders wel ten gunste van de kinderen een hogere kinderalimentatie hebben afgesproken dan zou zijn vastgesteld aan de hand van de destijds geldende alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie, zal het hof de door de vader te betalen kinderalimentatie vaststellen op de door hem berekende draagkracht van in totaal € 769,- per maand. Het hof gaat er daarbij in redelijkheid van uit dat de vader de door hem te maken zorgkosten voor de kinderen (mede) zal kunnen voldoen uit de beschikbare draagkrachtvrije ruimte van € 330,- per maand (conform de overgelegde draagkrachtberekening).
5.11
Kennelijk hebben de ouders destijds niet gekeken naar de draagkracht van de moeder. Haar aandeel in de kosten van de kinderen is niet vermeld in het ouderschapsplan en ook anderszins blijkt niet dat daar rekening mee is gehouden. Anders dan de vader heeft verzocht, zal het hof geen rekening houden met de draagkracht van de moeder, omdat de ouders indertijd gekozen hebben voor andere uitgangspunten dan die van de Expertgroep Alimentatie.
5.12
Op de zitting is gebleken dat er geen achterstand is in de betaling van de kinderalimentatie en gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de vader vanaf 17 februari 2025 een te hoog bedrag aan kinderalimentatie voldaan aan de moeder. Het hof moet oordelen of en in hoeverre van de moeder in redelijkheid kan worden gevergd dat zij aan de vader terugbetaalt wat zij te veel heeft ontvangen. Voor het hof bestaat er geen aanleiding de moeder te ontheffen van haar terugbetalingsverplichting, omdat niet is gebleken dat de moeder daartoe niet in staat is noch dat dit niet van haar kan worden gevergd.
5.13
Gelet op het voorgaande bedraagt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige1] en [minderjarige2] met ingang van 17 februari 2025 € 384,50 per kind per maand.

6.De slotsom

6.1
Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover deze ziet op de vastgestelde kinderalimentatie en de zorgregeling na de kerstvakantie 2025 en beslissen zoals hierna onder 7. zal worden vermeld en bekrachtigen voor zover deze ziet op de vastgestelde zorgregeling tot en met de kerstvakantie 2025.
6.2
Vanwege de aard van de zaak zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat de ouders ieder de eigen proceskosten draagt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 februari 2025, ten aanzien van de kinderalimentatie en de zorgregeling na de kerstvakantie 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 november 2022 ten aanzien van de vastgestelde kinderalimentatie en bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 17 februari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] € 384,50 per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
wijzigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 november 2022 ten aanzien van de vastgestelde zorgregeling na de kerstvakantie 2025 en stelt als zorgregeling na de kerstvakantie 2025 vast dat de kinderen in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school bij de vader zijn;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 februari 2025, ten aanzien van de vastgestelde zorgregeling tot en met de kerstvakantie 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, P.B. Kamminga en M. Kemmers en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.