ECLI:NL:GHARL:2025:7187

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
21-000343-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van vonnis en herbeoordeling van straf in zaak van het vervoeren van 972 kilogram lachgas

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland. De verdachte, geboren in 2002, was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden voor het vervoeren van 972 kilogram lachgas. Het hof heeft het vonnis vernietigd en een andere straf opgelegd. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 27 januari 2025, waarin hij was veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van een grote hoeveelheid lachgas, wat in strijd is met de Opiumwet. Tijdens de zittingen heeft het hof de verklaringen van de verdachte en de vordering van de advocaat-generaal gehoord. De verdachte verklaarde dat hij niet op de hoogte was van de illegale aard van de lading, maar het hof oordeelde dat hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het om een illegale lading ging. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het vervoeren van lachgas. De advocaat-generaal had een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden geëist. Het hof heeft de verdachte uiteindelijk veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de positieve ontwikkeling van de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000343-25
Uitspraakdatum: 13 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 januari 2025 met parketnummer 05-301132-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T. Mustafazade, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft de verdachte voor het vervoeren van 972 kilogram lachgas veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 september 2024 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 972 kilogram lachgas, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het vervoeren van lachgas.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat op grond van de hierna opgenomen bewijsvoering het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Bewijsmiddelen
In de hierna vermelde bewijsmiddelen wordt steeds verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0600-2024110417, pagina 1 tot en met 67, gesloten en getekend op 22 september 2024, door [naam 1] , hoofdagent van politie [eenheid] , nader te noemen: het politiedossier.
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenvan 19 september 2024, ondertekend door [naam 2] , brigadier van politie [eenheid] , en [naam 3] , hoofdagent bij de [eenheid] , (pagina 20 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Op donderdag 19 september 2024, omstreeks 14:30 uur, reed ik, verbalisant [verbalisant] , op autosnelweg A12 ter hoogte van [plaats 2] . Ik zag een bestelauto rijden voorzien van het kenteken [kenteken] . Ik zag een (1) bestuurder in de bestelauto, welke later bleek te zijn genaamd: [verdachte] geboren [geboortedag] 2002. Ik zag dat in het laadruim drie pallets stonden. Ik zag dat op de pallets gesealde grote kartonnen verpakkingen stonden. Ik heb een verpakking geopend. Ik zag ringvormige cilinders die ik herkende als lachgas.
Ik nam de bestelauto mee naar het politiebureau [plaats 1] .
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenvan 19 september 2024, ondertekend door [naam 4] en [naam 5] , beiden brigadier van politie [eenheid] , (pagina 29 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Op 19 september 2024 omstreeks 18.00 uur hebben wij een onderzoek ingesteld naar de bedrijfsauto Mercedes Benz, kenteken [kenteken] .
De pallets met zwarte krimpfolie kunnen worden aangemerkt als oververpakking. Wij zagen dat de pallets omwikkeld waren met de zwarte folie. Wij zagen dat op de zwarte folie geen enkele kenmerking of etikettering was aangebracht, maar dat deze onder de eerste laag zwarte folie zat en hierdoor niet zichtbaar was. In de hoek van de bestelauto zagen wij een prop liggen waarop het woord ‘OVERPACK’, UN1170’ en gevarenetiketten 2 + 5.1 afgebeeld waren.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenvan 19 september 2024, ondertekend door [naam 6] en [naam 7] , beiden hoofdagent van politie [eenheid] , (pagina 24 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Op donderdag 19 september 2024 kregen wij het verzoek om van de aangetroffen pallet met lachgas te tellen hoeveel flessen er in totaal aangetroffen waren. Wij, verbalisanten, zagen in de laadruimte 3 pallets staan. Wij zagen dat alle 3 de pallets dezelfde omvang dan wel grootte hadden. Wij zagen dat er aan de zijkant van de pallet 18 dozen zichtbaar waren. Wij zagen dat er 9 rijen op de pallet stonden. Dat maakt dat er 162 dozen op een pallet staan. 3 pallets met 162 dozen zijn in totaal 486 dozen.
Wij zagen dat er in een doos 1 fles zit. Wij zagen dat er in elke fles 2 kilogram lachgas zit. In totaal is het 972 kilogram lachgas.
4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2025, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
“Ik ben door een vage kennis in een SnapChat-groep benaderd om iets te vervoeren. Ik dacht wel dat het iets illegaals zou zijn. Ik werd vervolgens anoniem gebeld met de opdracht om in Google Maps coördinaten in te voeren. Dit leidde naar een locatie in Duitsland. Ik kwam uit bij een tankstation. Ik moest vervolgens achter iemand aanrijden en kwam toen bij een loods uit. Dit ritje duurde ongeveer tien tot vijftien minuten. Toen ik bij de loods aankwam, stonden de drie pallets al klaar. De man stond buiten en hief de pallets omhoog met de pallettruck. Ik moest in de laadruimte van de bestelauto gaan staan, de pompwagen eronder zetten en de pallets in de bak van de bestelbus zetten. Ik zou inderdaad € 400,- krijgen.Nee, ik heb niet gevraagd waar de lading uit bestond. Ik heb ook niet op of in de verpakking gekeken voordat ik bij de loods wegreed en ook later niet.”
Bewijsoverweging voorwaardelijk opzet
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het vervoer van lachgas – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, onder meer afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Op 19 september 2024 vervoerde de verdachte in een door hem gehuurde bestelauto een drietal pallets. Deze pallets bevatten in totaal 972 kilo lachgas. Verdachte heeft verklaard dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar de inhoud van de pallets, maar wel het vermoeden had dat de door hem vervoerde lading geen legale herkomst had.
Het hof overweegt dat wanneer iemand via vage bekenden wordt gevraagd voor iemand van wie hij geen contactgegevens heeft en ook niet krijgt voor een aanzienlijk bedrag een ritje te doen met een onbekende lading, waarbij de exacte ophaallocatie en bestemming vaag worden gehouden, de kans aanmerkelijk is dat het gaat om een illegale lading. Verdachte was zich van die kans ook bewust. Sterker nog, verdachte heeft zelf verklaard dat hij wel dacht dat zijn lading niet legaal was.
Verdachte heeft daarnaast ook verklaard dat hij dacht dat het om gestolen bouwmaterialen ging en dat hij de klus niet zou hebben gedaan als hij had geweten dat het om lachgas ging. Het hof acht dit gedeelte van de verklaring van verdachte echter niet aannemelijk en is van oordeel dat verdachte de kans dat het ging om lachgas bewust heeft aanvaard. Verdachte stelt weliswaar dat hij ervan uitging dat het ging om gestolen bouwmaterialen, maar die stelling heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Verdachte heeft, zo verklaart hij, de inhoud van de lading niet gecontroleerd en er ook niet naar gevraagd. Door onder de geschetste omstandigheden toch te gaan rijden, heeft de verdachte voorwaardelijk opzet op het vervoer van volgens de Opiumwet verboden middelen, in dit geval lachgas.
Bij dit oordeel heeft het hof uitdrukkelijk betrokken dat de verdachte bij het inladen van de pallets alleen in de laadruimte van de bestelauto stond en de sticker – die onmiskenbaar bij de lading hoorde – met daarop de woorden ‘overpack’, ‘UN1170’ en twee gevarenetiketten, in de hoek van de gehuurde vrachtwagen is aangetroffen. Als de verdachte deze sticker niet zelf van de pallets heeft verwijderd, dan kan het niet anders zijn dan dat hij de sticker daar moet hebben gezien.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks19 september 2024 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , opzettelijk heeft vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 972 kilogram lachgas, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstaf van 240 uren met aftrek en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij het opleggen van de straf rekening te houden met het lage recidiverisico en de positieve ontwikkeling die de verdachte de afgelopen periode heeft doorgemaakt.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een grote hoeveelheid lachgas, te weten 972 kilogram. Een dergelijke grote hoeveelheid vertegenwoordigt een grote straatwaarde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek. Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Voor het vervoeren van lachgas zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof daarom gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Uit het Uittreksel van de Justitiële Documentatie van 26 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Daarnaast heeft het hof gelet op het reclasseringsadvies van 23 oktober 2025 waarin de voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte worden bevestigd en waarin wordt geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.
Alles afwegende acht het hof de straf die is geëist door de advocaat-generaal, te weten een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
Wetsartikelen
De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Zwartjes, voorzitter, en mr. G. Dam en mr. T. Bertens, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Klein en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 november 2025.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 november 2025.
Tegenwoordig:
mr. S. Taalman, voorzitter,
mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,
mr. M. Klein, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.