Art. 1:207 BWArt. 1:5 lid 7 BWArt. 1:20 lid 1 BWArt. 1:20a lid 1 BWArt. 1:20e lid 1 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gerechtelijke vaststelling vaderschap overleden biologische vader in hoger beroep
Verzoeker heeft bij de rechtbank primair verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de overleden heer, subsidiair om een DNA-onderzoek. De rechtbank wees dit af. In hoger beroep heeft verzoeker vijf grieven ingebracht tegen deze beschikking.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:207 BWPro het vaderschap ook postuum kan worden vastgesteld. Omdat verzoeker geen DNA-materiaal van de overleden heer heeft, werd een DNA-onderzoek uitgevoerd met halfbroers, wat de biologische verwantschap bevestigde. Daarnaast bevestigden de halfbroers schriftelijk het vaderschap. Verder zijn feiten en omstandigheden gesteld die het vaderschap ondersteunen, zoals de buitenechtelijke relatie van de moeder met de overleden heer, contactmomenten tussen verzoeker en de familie, en een legaat in het testament.
Het hof oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat de overleden heer de biologische vader is van verzoeker. Er zijn geen bezwaren tegen de vaststelling. Verzoeker heeft verklaard zijn geslachtsnaam te behouden. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt het vaderschap vast. De griffier wordt verzocht de beschikking als latere vermelding aan de geboorteakte toe te voegen.
Uitkomst: Het hof stelt het vaderschap van de overleden heer als biologische vader van verzoeker vast en vernietigt het eerdere vonnis van de rechtbank.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.378/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 235909)
beschikking van 13 november 2025
in de zaak van
[verzoeker]( [verzoeker] ),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. J.W. Damstra te Apeldoorn.
1.De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2.De procedure in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 13 februari 2025;
- een brief namens [verzoeker] van 27 maart 2025;
- een e-mail namens [verzoeker] van 5 mei 2025 met bijlage(n);
- een brief namens [verzoeker] van 4 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verzoeker] van 18 augustus 2025;
- een e-mail namens [verzoeker] van 17 september 2025 met bijlage(n).
2.2
Bij brief van 7 augustus 2025 heeft het hof [verzoeker] bericht voornemens te zijn om de zaak af te doen zonder mondelinge behandeling, op basis van de beschikbare stukken in het dossier. [verzoeker] heeft het hof bij het journaalbericht van 18 augustus 2025 bericht dat hij daarmee akkoord gaat.
3.De feiten
3.1
[verzoeker] is [in] 1964 geboren uit [naam1] (de moeder). De moeder is geboren [in] 1929 en overleden [in] 2018. De moeder is nooit gehuwd of geregistreerd als partner geweest.
3.2
De moeder heeft [verzoeker] verteld dat de heer [naam2] ( [naam2] ), die is geboren [in] [in] 1927, zijn vader is. [naam2] is overleden [in] 2023.
3.3
[naam2] is gehuwd geweest met [naam3] . [naam2] is de juridische vader van de drie uit dat huwelijk geboren kinderen:
- [naam4] , geboren [in] 1953 ( [naam4] );
- [naam5] , geboren op [in] 1956 ( [naam5] );
- [naam6] , geboren op [in] 1957 ( [naam6] ).
3.4
[verzoeker] heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift op 28 juni 2024 primair verzocht het vaderschap van [naam2] over hem gerechtelijk vast te stellen en subsidiair een deskundigenonderzoek te gelasten, te weten een kenmerkenonderzoek door middel van DNA, waarbij één van de halfbroers wordt bevolen zijn medewerking daaraan te verlenen.
3.5
Bij de bestreden beschikking van 15 november 2024 heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] afgewezen.
4.De omvang van het geschil
[verzoeker] is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het vaderschap van [naam2] over hem gerechtelijk vast te stellen, dan wel subsidiair alsnog een deskundigenonderzoek te gelasten, te weten een kenmerkenonderzoek door middel van DNA, waarbij één van de halfbroers of de halfzuster van [verzoeker] wordt bevolen medewerking te verlenen aan het uitvoeren van een DNA-onderzoek (familie-relatieonderzoek) door Verilabs, ter beantwoording van de vraag of [naam2] de biologische vader/verwekker is van [verzoeker] en zo ja, het vaderschap van [naam2] ten aanzien van [verzoeker] gerechtelijk vast te stellen.
5.De motivering van de beslissing
5.1
Op grond van artikel 1:207 lidPro 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, door de rechter op verzoek van het kind worden vastgesteld op de grond dat deze persoon de verwekker is van het kind.
5.2
Omdat [naam2] is overleden en [verzoeker] geen DNA-materiaal van hem heeft, heeft [verzoeker] zijn onderlinge verwantschap met [naam5] en [naam4] laten onderzoeken door Verilabs. Verilabs concludeert in het rapport van 22 juli 2025 dat de hypothese dat de drie geteste personen dezelfde biologische vader hebben door het onderzoek wordt ondersteund. Het hof heeft geen aanleiding om het biologische vaderschap van [naam2] van [naam5] en [naam4] in twijfel te trekken. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die tot een andere vaststelling zouden moeten leiden. Het hof is daarom van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [naam2] de biologische vader is van [verzoeker] . Deze bevinding wordt ondersteund door de brief die [naam4] , [naam5] en [naam6] aan de rechtbank hebben gezonden, waarin zij het volgende verklaren: “Hierbij willen wij bevestigen dat [verzoeker] , geboren [in] 1964 een biologisch kind is van [naam2] , geboren [in] 1927 te [gemeente1] en overleden [in] 2023 in [plaats1] .”, alsook door de overige door [verzoeker] gestelde en voldoende onderbouwde feiten en omstandigheden, te weten:
- dat [naam2] een buitenechtelijke relatie heeft gehad met de moeder;
- dat de moeder hem heeft verteld dat [naam2] zijn biologische vader is;
- dat [verzoeker] toen hij omstreeks 1993 op zoek is gegaan naar zijn biologische vader, meerdere contactmomenten met [naam2] heeft gehad en vanaf toen ook regelmatig contact heeft en heeft gehad met [naam4] , [naam5] en [naam6] ;
- dat [naam2] in zijn testament een bedrag van € 25.000,-, vrij van belastingen, aan [verzoeker] heeft gelegateerd.
5.3
Van bezwaren als bedoeld in artikel 1:207 BWPro is niet gebleken. Dat betekent dat het verzoek van [verzoeker] om vast te stellen dat [naam2] zijn vader is alsnog zal worden toegewezen. Keuze geslachtsnaam
5.4
De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap doet een familierechtelijke betrekking tussen [naam2] en [verzoeker] ontstaan. Op 28 oktober 2025 heeft [verzoeker] via een beeldbelverbinding, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:5 lid 7 BWPro, ten overstaan van een raadsheer van het hof verklaard dat hij, als zijn verzoek wordt toegewezen, de geslachtsnaam ‘ [naam7] ’ wenst te behouden. Het hof zal in het dictum van deze beschikking vaststellen dat [verzoeker] aldus heeft verklaard. Latere vermeldingen geboorteakte
5.5
Rechterlijke uitspraken die een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap inhouden worden door de ambtenaar van de burgerlijke stand als latere vermeldingen toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon (artikel 1:20 lid 1 aanhefPro onder a BW en artikel 1:20a lid 1 BW). De griffier van het hof dient niet eerder dan drie maanden na de dag van de beschikking een afschrift van de beschikking toe te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand zodat de uitspraak als latere vermelding kan worden verwerkt (artikel 1:20e lid 1 BW). Het hof zal de griffier van het hof vragen om hiervoor zorg te dragen. De slotsom
5.6
Het hof komt tot een andere beslissing dan de rechtbank. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom vernietigen en opnieuw beslissen zoals hierna vermeld.
6.De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen , van 15 november 2024 en opnieuw beschikkende:
stelt vast dat [naam2] , geboren [in] 1927, de vader is van [verzoeker] , geboren [in] 1964;
stelt vast dat [verzoeker] , geboren [in] 1964, heeft verklaard dat hij de geslachtsnaam ‘ [naam7] ’ zal behouden;
verzoekt de griffier van het hof niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift van deze beschikking te zenden naar de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente2] om als latere vermelding te worden toegevoegd aan de onder hem berustende geboorteakte van [verzoeker] , geboren [in] 1964 in [plaats2] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.