ECLI:NL:GHARL:2025:7247

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
200.345.212/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bouwzaak en opschorting betaling facturen

In deze zaak heeft [opdrachtgever] hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, dat op 21 mei 2024 werd uitgesproken. De zaak betreft een bouwgeschil waarbij [opdrachtgever] de betaling van twee facturen aan [opdrachtnemer] heeft opgeschort vanwege vermeende gebreken aan het uitgevoerde werk. De kantonrechter heeft de vorderingen van [opdrachtgever] afgewezen en die van [opdrachtnemer] toegewezen, met veroordeling van [opdrachtgever] in de proceskosten. In hoger beroep heeft [opdrachtgever] zijn vorderingen verminderd en verzocht om toewijzing van zijn schadevergoeding. Het hof heeft vastgesteld dat [opdrachtgever] in schuldeisersverzuim is gekomen door de betaling van de facturen op te schorten zonder voldoende grond. Het hof heeft geoordeeld dat de opschorting niet terecht was en heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. [opdrachtgever] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.345.212/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 10668777
arrest van 11 november 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie
hierna:
[opdrachtgever]
advocaat: mr. A.Z. van Braam te Groningen
tegen
de vennootschap onder firma [geïntimeerde]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
en bij de kantonrechter optrad als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie
hierna:
[opdrachtnemer]
advocaat: mr. M.J. op 't Ende te Numansdorp.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[opdrachtgever] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen op 21 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven tevens akte vermindering van eis met producties 18 tot en met 20
  • de memorie van antwoord met producties 21A tot en met 21 D
1.2
Na het tussenarrest van 3 juni 2025 heeft op 18 juli 2025 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[opdrachtgever] heeft [opdrachtnemer] opdracht gegeven om het dak te renoveren van zijn woning aan de [adres1] (hierna: de woning). Op een gegeven moment heeft [opdrachtgever] [opdrachtnemer] gevraagd de werkzaamheden te staken. Volgens [opdrachtgever] is namelijk sprake van gebreken aan het door [opdrachtnemer] uitgevoerde werk. [opdrachtgever] heeft daarom de betaling van twee facturen opgeschort. [opdrachtnemer] heeft bij de kantonrechter de betaling daarvan gevorderd. [opdrachtgever] heeft op zijn beurt voorwaardelijk, namelijk voor het geval de kantonrechter de vordering van [opdrachtnemer] vanwege een toerekenbare tekortkoming afwijst, vervangende schadevergoeding gevorderd van € 39.802,90, te verhogen met de kosten van de geraadpleegde deskundige en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
2.2
De kantonrechter heeft de vorderingen van [opdrachtnemer] toegewezen en de vorderingen van [opdrachtgever] afgewezen, met veroordeling van [opdrachtgever] in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen van [opdrachtnemer] alsnog worden afgewezen en dat de vorderingen van [opdrachtgever] alsnog worden toegewezen. [opdrachtgever] heeft daarbij zijn vordering tot betaling van een (vervangende) schadevergoeding verminderd tot een bedrag van € 34.777,91.
2.3
Het hof zal in hoger beroep, net als de kantonrechter, de vorderingen van [opdrachtgever] afwijzen en de vorderingen van [opdrachtnemer] toewijzen. Dit betekent dat het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Dit oordeel zal het hof hierna uitleggen, nadat het eerst de feiten heeft vastgesteld.

3.De relevante feiten

3.1
[opdrachtgever] heeft zijn woning in eigen beheer verbouwd, met als doel om één geheel te maken van het voor- en achterhuis. Onderdeel hiervan was de renovatie van het dak.
3.2
Voor de verbouw van zijn woning heeft [opdrachtgever] het tekenwerk en de constructieberekeningen laten uitvoeren door een constructeur. Voor de uitvoering van de werkzaamheden aan het dak heeft [opdrachtgever] contact opgenomen met [opdrachtnemer] .
3.3
[opdrachtnemer] heeft op 16 juli 2020 een offerte uitgebracht, die [opdrachtgever] aanvaard heeft. In de offerte staat onder meer het volgende.
  • Het verwijderen en afvoeren van de bestaande dakpannen.
  • Het slopen en afvoeren van de bestaande dak en vloerconstructie van het achterhuis.
  • Het plaatsen van een nieuwe balklaag volgens opgave constructeur. Balklaag voorzien van 18 mm underlayment.
  • plaatsen nieuwe dakconstructie op het achterhuis en deze en het bestaande dak voorzien van isolatiedakplaten type unidek kolibri RC3,5.
  • het dak van voor en achterhuis voorzien van geglazuurde dakpannen inclusief nokvorsten, ondervorst, vogelschroot, dakpannen en gevelpannen. Type VHV nachtblauw.
  • De woning voorzien van nieuwe Polytech dakgoten met smetplank en gootklossen. Dak voorzien van kunststof windveren met overstek. Exact type nader te bepalen.
  • Opmetselen achtergevel in nieuwe daklijn. Voor de stenen is er een stelpost opgenomen van 350,- /1000 stenen.
  • Maken aanpassingen dakconstructie voor volgens opgave constructeur.
  • Uitnemen en opslaan bestaand dakraam.
  • Inclusief steigerwerk en afvalcontainers.
3.4
Voor de werkzaamheden is een bedrag van € 33.500,- inclusief btw overeengekomen. Betaling zou plaatsvinden in zes termijnen.
3.5
[opdrachtnemer] is op 10 augustus 2020 gestart met de werkzaamheden. Zij heeft het steigerwerk opgebouwd, de dakpannen verwijderd en de dakplaten op het voorhuis gelegd.
3.6
[opdrachtnemer] heeft daarvoor in augustus 2020 twee facturen gestuurd, de eerste en tweede termijn. [opdrachtgever] heeft beide facturen betaald.
3.7
Begin oktober 2020 is [opdrachtnemer] gestart met het slopen van het dak en de vloerconstructie van het achterhuis. Zij heeft het achterhuis voorzien van een nieuwe balklaag en dakconstructie. Ook heeft zij de dakplaten gelegd.
3.8
[opdrachtnemer] heeft op 25 oktober 2020 een factuur verstuurd voor een bedrag van € 5.025,- met als omschrijving ‘dakplaten gelegd’ en op 15 november 2020 een factuur voor een bedrag van € 187,55 voor meerwerk. [opdrachtgever] heeft deze facturen onbetaald gelaten.
3.9
Op 9 november 2020 heeft [naam1] , de vader van [opdrachtgever] , in een e-mail aan [opdrachtnemer] kenbaar gemaakt dat naar aanleiding van een inspectie door de heer [naam2] van
30 oktober 2020 een aantal vragen waren ontstaan over de uitvoering van de bouw en dat gemeend is dat een tussentijdse opname van de bouw en de voortgang daarvan uitgevoerd moet worden. In de bijlage is een lijst met vraagpunten opgenomen die onder meer zien op de montage en afwerking van de dakplaten en de panlattenconstructie. [opdrachtnemer] heeft op dezelfde dag uitleg gegeven. Op 11 november 2020 is telefonisch overleg gevoerd, waarbij onder meer is gesproken over de voortzetting van de werkzaamheden.
3.1
[naam1] heeft in een e-mail van 15 november 2020 laten weten dat, gelet op het lopende onderzoek, de fase ‘dakplaten leggen’ niet als voltooid wordt verondersteld. Verder heeft hij het volgende geschreven.
“Aangegeven is dat voltooing en uitkomst onderzoek een basis is van waaruit een verdere route bouw kan worden uitgestippeld. Tot voornoemde voltooid en overeengekomen is zijn alle verdere werkzaamheden aan het dak en opvolgende werkzaamheden, behoudens eventuele af te spreken herstelwerkzaamheden, als voorbarig en enkel kostenverhogend te beschouwen. Bestellingen en/of werkzaamheden af dit moment zullen zonder voorafgaande overeenstemming niet gehonoreerd worden.
(…)
Ik wil opmerken dat elke nota, behoudens bovengenoemde, prompt is betaald cq betaald wordt”
3.11
Op 1 maart 2021 heeft de gemachtigde van [opdrachtnemer] [opdrachtgever] gesommeerd de facturen van 25 oktober 2020 en 15 november 2020 te betalen.
3.12
De gemachtigde van [opdrachtgever] heeft in een brief van 9 april 2021 het rapport van bouwkundige [naam3] aan [opdrachtnemer] toegezonden en [opdrachtnemer] gesommeerd de daarin genoemde gebreken binnen een maand deugdelijk te herstellen.
3.13
Op 26 april 2021 heeft de gemachtigde van [opdrachtnemer] aan de gemachtigde van [opdrachtgever] de reactie van [opdrachtnemer] van 22 april 2021 doorgestuurd. Daarin staat onder andere het volgende:
“Kortom, er zijn voor ons aandachtspunten maar een gros van de genoemde punten zijn een (direct) gevolg van keuzes door opdrachtgever zelf. (…)
Het tekenwerk en constructieberekening zijn rechtstreeks in opdracht van opdrachtgever uitgevoerd. Deze verantwoordelijkheid kan dus ook niet bij [opdrachtnemer] liggen. Desondanks hebben we er allen baat bij om de werkzaamheden tot een goed einde te brengen en daartoe ben ik ook zeker bereid. Een gesprek met alle partijen is daartoe een goed begin.”
3.14
In een brief van 13 juli 2023 heeft de gemachtigde van [opdrachtgever] aan de gemachtigde van [opdrachtnemer] laten weten dat er gebreken zijn, dat [opdrachtnemer] de waarschuwingsplicht heeft geschonden en dat hij geen mogelijkheden ziet om samen tot een oplossing te komen.
3.15
In de door [opdrachtnemer] aanhangig gemaakte procedure, heeft de rechtbank geoordeeld dat [opdrachtgever] in schuldeisersverzuim is komen te verkeren door niet in te gaan op het aanbod tot herstel. [opdrachtgever] had de betaling van de facturen niet mogen opschorten en de rechtbank heeft hem veroordeeld de facturen te betalen.

4.Het oordeel van het hof

inleiding
4.1
Met de grieven komt [opdrachtgever] onder andere op tegen het oordeel dat hij niet had mogen opschorten. Volgens hem was geen sprake was van een voldoende reëel en redelijk aanbod, omdat [opdrachtnemer] niet bereid was om ‘de hoofdgebreken’ te herstellen. Onder de hoofdgebreken verstaat [opdrachtgever] blijkens de memorie van grieven het volgende:
de verdiepingsvloer in het achterhuis is te laag gebouwd;
de dakplaten op het voorhuis zijn ondeskundig behandeld en gelegd over door houtrot aangetast dakbeschot;
de dakconstructie van het voorhuis rust op muurplaten welke door houtrot zijn aangetast.
4.2
Daarnaast meent [opdrachtgever] dat [opdrachtnemer] de waarschuwingsplicht heeft geschonden, doordat zij bij het aangaan en bij het uitvoeren van de overeenkomst [opdrachtgever] niet heeft gewaarschuwd voor onjuistheden die zij kende of redelijkerwijs behoorde te kennen, dan wel [opdrachtgever] niet heeft gewaarschuwd voor fouten in de plannen en de verstrekte tekening. De rechtbank heeft ten onrechte deze stelling niet beoordeeld, aldus [opdrachtgever] . Het hof zal de grieven hierna thematisch behandelen.
de facturen zijn in beginsel verschuldigd
4.3
Het hof stelt vast dat de factuur van 25 oktober 2020 ziet op de derde betalingstermijn. Blijkens de omschrijving ziet deze termijn op de fase ‘dakplaten leggen’. Uit het dossier is gebleken dat [opdrachtnemer] de volgende werkzaamheden heeft verricht: het dak van het achterhuis is gesloopt, er is een nieuwe dakconstructie gemaakt (inclusief verdiepingsvloer) en over zowel het voor- als het achterhuis zijn dakplaten gelegd. De factuur van 15 november 2020 ziet op meerwerk dat [opdrachtnemer] hierbij heeft uitgevoerd. Tussen partijen is niet in geschil dat [opdrachtnemer] deze werkzaamheden heeft verricht. De facturen zijn daarmee in beginsel verschuldigd. [opdrachtgever] heeft de betaling echter opgeschort, omdat hij meent dat sprake is van gebreken in het door [opdrachtnemer] uitgevoerde werk. [opdrachtnemer] betwist dit.
4.4
Het hof zal hierna beoordelen of [opdrachtgever] terecht de betaling van de facturen met betrekking tot het leggen van de dakplaten heeft opgeschort. Het hof zal daartoe eerst de feitelijke gang van zaken schetsen die tot de opschorting hebben geleid en vervolgens ingaan op de verschillende gestelde gebreken.
[opdrachtgever] heeft de betaling opgeschort en de bouw stilgelegd
4.5
Ter onderbouwing van de opschorting, beroept [opdrachtgever] zich ten eerste op de bevindingen van de heer [naam2] , de constructeur van [opdrachtgever] . Naar aanleiding van deze bevindingen heeft [naam1] in een e-mail van 9 november 2020 vragen aan [opdrachtnemer] gesteld. [opdrachtnemer] heeft per e-mail van diezelfde dag gereageerd op de gestelde vragen. Tussen partijen is niet in geschil dat [opdrachtgever] de werkzaamheden op 9 november 2020 heeft stilgelegd, in ieder geval totdat [opdrachtnemer] heeft gereageerd op de vragen die waren ontstaan naar aanleiding van de inspectie van [naam2] .
4.6
Op 15 november 2020 heeft [naam1] een e-mail gestuurd aan [opdrachtnemer] , die voor het eerst in hoger beroep is overgelegd. Partijen verschillen van mening over de strekking van deze e-mail. Volgens [opdrachtgever] blijkt eruit dat [opdrachtnemer] verder mocht bouwen, maar dat dit voor eigen rekening en risico zou zijn. [opdrachtnemer] betwist deze lezing en voert aan dat [opdrachtgever] de bouw (verder) heeft stilgelegd. Het hof constateert dat uit de e-mail blijkt dat [opdrachtgever] een ander onderzoek wilde instellen naar de al vastgestelde gebreken. [opdrachtgever] heeft hiertoe ook opdracht gegeven, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in het rapport [naam3] . In de e-mail van 15 november 2020 staat verder dat alle verdere werkzaamheden op het dak als voorbarig en kostenverhogen beschouwd worden, in ieder geval totdat het onderzoek is afgerond. Ook staat er dat werkzaamheden vanaf dat moment zonder voorafgaande overeenstemming niet gehonoreerd zouden worden. Gelet op de bewoordingen in de e-mail en de hiervoor omschreven omstandigheden, is het hof van oordeel dat [opdrachtnemer] de e-mail van 15 november 2020 niet anders had kunnen begrijpen dan dat de bouw in afwachting van het nader uit te voeren onderzoek door [opdrachtgever] was stilgelegd, althans stil bleef liggen.
4.7
[opdrachtgever] onderbouwt zijn beroep op opschorting verder met het rapport [naam3] , dat op 9 april 2021 aan [opdrachtnemer] is toegezonden. [opdrachtnemer] heeft gereageerd op de bevindingen uit het rapport in een brief van 22 april 2021, die op 26 april 2021 is verstuurd aan [opdrachtgever] . In deze brief stelt [opdrachtnemer] voor om in gesprek te gaan, omdat zij het werk tot een goed einde wil brengen. [opdrachtgever] is niet ingegaan op dit aanbod, omdat hij het onvoldoende vond. Het hof zal hierna beoordelen of [opdrachtgever] het aanbod tot gesprek heeft mogen afwijzen, nadat eerst de genoemde gebreken zijn behandeld.
de verdiepingsvloer
4.8
[opdrachtgever] klaagt erover dat de verdiepingsvloer in het achterhuis lager is komen te liggen dan op de constructietekening is aangegeven. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de doorgang tussen het voor- en het achterhuis is geblokkeerd, omdat de balklaag 10 centimeter lager dan de bovendorpel van het binnenkozijn van de doorgang tussen het voor- en het achterhuis ligt. Hij wijst ter onderbouwing hiervan naar het rapport [naam3] , waarin wordt geconcludeerd dat de maatvoering van de constructietekening niet juist is. [opdrachtnemer] heeft aangevoerd dat een lagere verdiepingsvloer een logisch gevolg was van de gekozen kapconstructie waarbij de dakplaten dienden te worden uitgelijnd met het bestaande dak. Indien [opdrachtgever] een hogere verdiepingsvloer had gewild, dan was een geheel andere dakconstructie nodig geweest. Bovendien is het probleem ten aanzien van de tussendeur eenvoudig op te lossen, omdat het kozijn van de tussendeur kan zakken. Deze oplossing is besproken met [naam1] , aldus [opdrachtnemer] .
4.9
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er een verschil in hoogte zou bestaan tussen de bestaande verdiepingsvloer in het voorhuis en de nieuwe verdiepingsvloer in het achterhuis. Dit blijkt uit de tekening van de constructeur, en uit de stukken blijkt dat dit bekend was bij [opdrachtgever] - en zelfs de bedoeling was. Het hof begrijpt dat het probleem van de lage verdiepingsvloer met name ziet op de tussendeur. Uit de overgelegde foto’s bij memorie van antwoord blijkt dat er ruimte is om het kozijn te laten zakken, waardoor de deur weer open kan. Volgens [opdrachtnemer] is hierover gesproken met vader [opdrachtgever] . Voor zover [opdrachtgever] de stelling inneemt dat hij – in afwijking van de constructietekening – een hogere verdiepingsvloer wilde, geldt dat dit buiten de opdracht valt en dat dus geen sprake kan zijn van een tekortkoming aan de zijde van [opdrachtnemer] .
houtrot in het dakbeschot
4.1
[opdrachtgever] stelt dat sprake is van een gebrek in het uitgevoerde werk, omdat [opdrachtnemer] dakplaten heeft geplaatst over het door houtrot aangetaste dakbeschot van het voorhuis, zonder daar melding van te maken of herstel te plegen. Het hof overweegt dat [opdrachtgever] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. [opdrachtgever] verwijst weliswaar naar het rapport [naam3] , maar hier blijkt niet uit dat sprake is van houtrot in het dakbeschot, althans niet meer. Ter zitting heeft [opdrachtnemer] verklaard dat zij tijdens de bouw houtrot had aangetroffen en dat zij het aangetaste deel van het dakbeschot kosteloos heeft vervangen, hetgeen door [opdrachtgever] is erkend. Ook [naam3] heeft geconstateerd dat plaatselijk dakbeschot is vervangen. In het rapport wordt echter geen melding gemaakt van aangetroffen houtrot in andere delen van het dakbeschot. [opdrachtgever] heeft ook geen stukken ingebracht waaruit dat zou kunnen blijken. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een gebrek in het uitgevoerde werk.
de afwerking van de dakplaten
4.11
Het hof begrijpt dat [opdrachtgever] met het hoofdgebrek ‘ondeskundig behandelen van de dakplaten’ doelt op klachten die zijn geuit naar aanleiding van de bevindingen van [naam2] en die per e-mail van 9 november 2020 kenbaar zijn gemaakt. Volgens [opdrachtgever] heeft [opdrachtnemer] de dakplaten niet conform de montagevoorschriften behandeld en zijn de platen te kort afgezaagd. [opdrachtnemer] betwist dat sprake is van een tekortkoming. Zij voert aan dat de randen van de dakplaten afgewerkt zullen worden bij het maken van de achterliggende constructie van de dakgoot, waarbij de extra ruimte opgevuld zal worden met PU-schuim. Ten aanzien van de vermeende foutieve montage heeft [opdrachtnemer] aangevoerd dat geen houtdraadbouten en haaknagels zijn gebruikt, maar zelfdraaiende schroeven. Dit is in overeenstemming met de montagerichtlijnen unidek. Ten aanzien van de uitstekende stengels heeft [opdrachtnemer] toegezegd extra panlatten aan te brengen.
4.12
Het hof overweegt dat het op de weg van [opdrachtgever] had gelegen om, gelet op deze gemotiveerde betwisting, zijn standpunt nader te onderbouwen. Hij heeft weliswaar gesteld dat sprake zou zijn van lekkageproblemen en problemen met de dakgoot, maar heeft hierop geen verdere toelichting of onderbouwing gegeven. Gelet hierop is niet zonder meer vast komen te staan dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [opdrachtnemer] ten aanzien van de afwerking van de dakplaten.
de muurplaat
4.13
Volgens [opdrachtgever] is sprake van een gebrek in het uitgevoerde werk, omdat de dakconstructie van het voorhuis rust op een door houtrot aangetaste muurplaat, terwijl [opdrachtnemer] hier niet voor gewaarschuwd heeft. Uit het rapport [naam3] blijkt dat er op meerdere plekken houtrot is aangetroffen in de muurplaat. [opdrachtnemer] heeft zich op het standpunt gesteld – hetgeen ook erkend is door de advocaat van [opdrachtgever] ter zitting – dat het houtrot (zeer) lokaal van aard is. Uit de stukken blijkt dat [opdrachtnemer] algehele vervanging niet zou adviseren, maar dat plaatselijk herstel mogelijk is. [opdrachtnemer] heeft aangevoerd dat zij de waarschuwingsplicht niet heeft geschonden, omdat zij het gebrek niet eerder kende. Het houtrot in de muurplaat werd pas zichtbaar nadat de dakplaten waren afgezaagd en de bestaande dakgoot was verwijderd, waarna [opdrachtgever] het werk stil legde. Deze gang van zaken is door [opdrachtgever] niet bestreden. [opdrachtgever] heeft weliswaar betwist dat [opdrachtnemer] het houtrot niet eerder kon ontdekken, maar een toelichting daarop ontbreekt. Nu [opdrachtnemer] niet eerder kon waarschuwen voor houtrot in de muurplaat omdat zij dit gebrek eerder niet kende en [opdrachtgever] kort daarop de bouw heeft stilgelegd, kan niet worden vastgesteld dat [opdrachtnemer] de waarschuwingsplicht heeft geschonden.
[opdrachtgever] is in schuldeisersverzuim komen te verkeren
4.14
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op voorhand niet duidelijk was – en nog steeds niet is – dat [opdrachtnemer] verantwoordelijk is voor het oplossen van alle genoemde gebreken. Zij heeft bovendien in haar reactie van 22 april 2021 expliciet aangeboden om de werkzaamheden alsnog tot een goed einde te brengen. Dat nog niet duidelijk was hoe zij in het concrete geval herstel wilde plegen en voor wiens rekening de kosten dan zouden komen, maakt dit niet anders. Nu [opdrachtgever] de bouw had stilgelegd in afwachting van het onderzoek, had het op zijn weg gelegen om in te gaan op het aanbod van [opdrachtnemer] om in gesprek te gaan om tot een oplossing van de gerezen problemen te komen. Door dat niet te doen en [opdrachtnemer] ook niet de gelegenheid te geven verder te gaan met het werk en eventueel noodzakelijk herstel, is [opdrachtgever] in schuldeisersverzuim komen te verkeren en stond het hem niet vrij zijn betalingsverplichting op te schorten. Hij heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd dat de verhindering hem niet toe te rekenen is. Dat [opdrachtnemer] voor de uitvoering van herstelwerkzaamheden eerder als voorwaarde betaling van de factuur van 25 oktober 2020 had gesteld, heeft zij niet herhaald in de reactie van 22 april 2021 en heeft zij – kennelijk – in dat kader niet gehandhaafd.
de waarschuwingsplicht
4.15
[opdrachtgever] heeft ook een beroep gedaan op schending van de waarschuwingsplicht. Het hof overweegt dat de schending van de waarschuwingsplicht ex art. 7:754 BW een rol speelt bij de verdeling van het risico voor de gevolgen van gebreken of ongeschiktheid van zaken en voor de gevolgen van fouten of gebreken in de plannen die afkomstig zijn van de opdrachtgever. Aan deze verdeling wordt pas toegekomen nadat is vastgesteld dat sprake is van een gebrek waarvoor de schuldenaar in verzuim is gekomen. Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [opdrachtgever] . Gelet hierop kan [opdrachtnemer] niet in schuldenaarsverzuim geraken (art. 6:61 BW).
4.16
[opdrachtgever] heeft in de tekst van de memorie van grieven een algemeen verwijt geformuleerd over het handelen van [opdrachtnemer] in het voortraject, namelijk dat het op de weg van [opdrachtnemer] gelegen om de situatie behoorlijk te onderzoeken en op basis daarvan een offerte uit te brengen, conform de bouwwensen van [opdrachtgever] , waarbij een deugdelijk dak zou worden gerealiseerd. Het hof stelt vast dat [opdrachtgever] in het voortraject opdracht heeft gegeven aan de heer [naam2] voor het tekenwerk en de constructieberekening. De offerte van [opdrachtnemer] is gebaseerd op die tekeningen, zo blijkt uit de tekst van die offerte. [opdrachtnemer] heeft ter zitting verklaard dat partijen in het voortraject hebben gesproken over vervanging van het gehele dak, maar dat [opdrachtgever] vanuit kostenbesparende overwegingen heeft gekozen voor het behoud van het bestaande dak op het voorhuis. De constructeur heeft conform deze bouwwens een tekening gemaakt. Het hof ziet niet in waarom het onder deze omstandigheden op de weg van [opdrachtnemer] had gelegen om voorafgaand aan het uitbrengen van de offerte een behoorlijk onderzoek te verrichten naar de bestaande situatie en een offerte op te maken die zou afwijken van de constructietekeningen. Hiervoor heeft [opdrachtgever] kennelijk geen opdracht gegeven.
de opschorting is niet terecht
4.17
De conclusie is dat het [opdrachtgever] niet vrij stond om de betalingsverplichting om te schorten. Er bestaat immers geen bevoegdheid tot opschorting wanneer sprake is van schuldeisersverzuim (artikel 6:54 BW). [opdrachtgever] heeft geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de vordering tot betaling van de facturen alsnog moet worden afgewezen. Het hof zal deze vordering dus toewijzen.
de reconventionele vordering
4.18
[opdrachtgever] heeft in reconventie een vervangende schadevergoeding gevorderd. Deze vordering heeft [opdrachtgever] ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering in conventie zou worden afgewezen vanwege een tekortkoming in de nakoming door [opdrachtnemer] . Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [opdrachtnemer] . Bovendien is van verzuim geen sprake, nu [opdrachtnemer] door het schuldeisersverzuim van [opdrachtgever] zelf niet in verzuim kan geraken (art. 6:61 BW). Ook om die reden is niet voldaan aan de vereisten voor omzetting en zal het hof deze vordering afwijzen.
De conclusie
4.19
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [opdrachtgever] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen.
4.2
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 21 mei 2024;
5.2
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van de volgende proceskosten van [opdrachtnemer] :
€ 2.255,- aan griffierecht
€ 1.716,- aan salaris van de advocaat van [opdrachtnemer] (2 procespunten x appeltarief I)
5.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.E. Weening, M.W. Zandbergen en M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
11 november 2025.