ECLI:NL:GHARL:2025:7275

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
21-004924-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging poging zware mishandeling met hamer en oplegging geheel voorwaardelijke taakstraf

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, deels voorwaardelijk, wegens poging zware mishandeling. In hoger beroep vernietigt het hof dit vonnis en doet opnieuw recht. Het hof acht bewezen dat verdachte op 20 maart 2024 te [plaats] met een hamer in het gezicht van het slachtoffer sloeg, waarbij sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.

De bewijsvoering berust op camerabeelden en verklaringen van het slachtoffer, waaruit blijkt dat verdachte met aanzienlijke kracht toesloeg. De verdediging voerde aan dat geen sprake was van bewust aanvaarden van de kans op zwaar letsel, maar het hof verwierp dit en kwalificeerde het handelen als poging zware mishandeling.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond, en de persoonlijke situatie van verdachte, waaronder zijn ADHD, autisme, agressieproblematiek en vrijwillige hulpverlening. Het hof acht een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uren passend, met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling.

Het arrest bevat tevens een uitgebreide regeling voor toezicht en begeleiding door de reclassering, en voorwaarden waaraan verdachte zich moet houden gedurende de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uren met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren wegens poging zware mishandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004924-24
Uitspraakdatum: 18 november 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 30 oktober 2024 met parketnummer 05-258850-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Rafik, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf ter hoogte van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, te vervangen door 20 dagen hechtenis met oplegging van bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren wegens – kort gezegd – een poging zware mishandeling.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 maart 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een hamer ter hand heeft genomen en (vervolgens) hiermee in het gezicht, althans op/tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het aan hem ten laste gelegde feit.
Standpunt verdediging
Verdachte heeft bekend dat hij het slachtoffer met een hamer in het gezicht heeft geslagen. De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken moet worden, omdat geen sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld met hoeveel kracht verdachte geslagen heeft. Ook kan niet bewezen worden dat verdachte de kans op dergelijk letsel bewust heeft aanvaard, nu verdachte niet stil heeft gestaan bij de gevolgen.
Oordeel hof
Het hof acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft met een hamer in het gezicht van aangeefster geslagen. Uit de zich in het dossier bevindende stills van de camerabeelden en de beschrijving van die camerabeelden leidt het hof af dat verdachte de hamer vasthoudt met de elleboog naar beneden en de hamer omhoog gericht in de hand. Dit lijkt op de houding die wordt gebruikt bij het inslaan van een spijker. Het is een feit van algemene bekendheid dat je daarmee flink kracht kan uitoefenen. Aangeefster heeft bovendien verklaard dat zij zich na de klap licht in haar hoofd voelde. Hieruit volgt dat verdachte met de nodige kracht geslagen heeft. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, te weten het op aangeefster afrennen met een hamer en vervolgens haar slaan in het gezicht (een zeer kwetsbare plek van het lichaam) op de wijze zoals hiervoor vermeld, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken. Het tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks20 maart 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een hamer ter hand heeft genomen en (vervolgens) hiermee in het gezicht,
althans op/tegen het lichaam,van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf ter hoogte van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met oplegging van dezelfde bijzondere voorwaarden als opgelegd in eerste aanleg en met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, in geval het hof tot een bewezenverklaring komt, de oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden passend is. Verdachte heeft al vrijwillig hulp gezocht. Een gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke taakstraf zorgt voor extra druk waar verdachte niet mee geholpen is.
Oordeel hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft – naar eigen zeggen na een langer lopend conflict – in de McDonald’s het slachtoffer met een klauwhamer in haar gezicht geslagen. Het slachtoffer heeft geluk gehad dat het letsel dat zij hierdoor heeft opgelopen relatief beperkt is gebleven. Het hof rekent het verdachte ten zeerste aan dat hij op deze manier heeft gehandeld en de problemen die hij had met aangeefster niet op een andere manier heeft opgelost. Niet alleen moet de aanval van verdachte beangstigend zijn geweest voor het slachtoffer, maar ook voor de mensen die hier ongewild getuige van zijn geweest.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt het hof rekening met de rechterlijke oriëntatiepunten die gelden ter zake van zware mishandeling, waarbij het hof er rekening mee houdt dat in het onderhavige geval sprake is van een poging hiertoe. Het hof slaat hierbij ook acht op het meest recente Uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en ook geen recente andere veroordelingen heeft.
Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De reclassering heeft in oktober 2024 een rapport over verdachte geschreven. Hieruit blijkt dat het psychosociaal functioneren van verdachte een delictgerelateerde factor is. Er is sprake van ADHD, autisme en een disharmonisch intelligentieprofiel. Verdachte heeft problemen met zijn agressieregulatie en heeft daarvoor ondersteuning nodig. Verdachte heeft een belaste jeugd gehad. De reclassering adviseert om als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling op te leggen.
Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is gebleken dat verdachte vrijwillig hulp heeft gezocht. Hij wordt 24/7 begeleid door [zorgverlener 1] . De afgelopen maanden is hij vanwege zijn agressieproblematiek in behandeling geweest bij [zorgverlener 2] . Bij [zorgverlener 2] is geconcludeerd dat eerst de trauma’s van verdachte moeten worden behandeld, voordat de behandeling voor de agressieregulatie kan worden voortgezet. Verdachte voelt zich door [zorgverlener 2] en [zorgverlener 1] serieus genomen en heeft het idee dat hij eindelijk de hulp krijgt waar hij al langer om gevraagd heeft..
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de straf die in eerste aanleg is opgelegd een passende straf is. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name dat hij vrijwillig hulp heeft gezocht voor zijn agressieproblematiek en zijn trauma’s en daarmee aan zichzelf werkt, ziet het hof aanleiding voor een geheel voorwaardelijke straf. Het hof acht dan ook een taakstraf voor de duur van 120 uren geheel voorwaardelijk, te vervangen door 60 dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof verbindt hieraan een proeftijd voor de duur van drie jaren en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en ambulante behandeling.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat:
  • de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
  • de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of
  • de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen,
dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd, te weten dat:
  • verdachte zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest zal melden bij Reclassering Nederland aan [adres 2] te [plaats] en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;
  • verdachte meewerkt aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling door [zorgverlener 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. N.I.S. Boers en mr. M. Zwartjes, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H. van Dalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 november 2025.