ECLI:NL:GHARL:2025:7288

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
Wahv 200.355.032/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 13a Wahv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging sanctie wegens overschrijding redelijke termijn in verkeersboetezaak

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd voor het onrechtmatig gebruik van een busbaan. Tegen deze beslissing stelde de gemachtigde hoger beroep in. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af.

Het hof oordeelt dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg werd overschreden. Hoewel de kantonrechter dit grotendeels aan de betrokkene toerekende vanwege het niet tijdig aanvullen van beroepsgronden, stelt het hof vast dat de procedurele vertragingen grotendeels niet aan de betrokkene of diens gemachtigde zijn toe te rekenen. De gemachtigde kreeg pas ruim een jaar na het indienen van het beroepschrift de gelegenheid om de gronden aan te vullen, waarna het nog bijna elf maanden duurde tot de zitting.

Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep gegrond en matigt de sanctie met 25 procent tot €112,50. Tevens veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €1.020,38. De proceskostenvergoeding betreft uitsluitend de kosten van het hoger beroep en niet de kosten van het administratief beroep.

Uitkomst: Sanctie gematigd met 25% wegens overschrijding redelijke termijn; proceskosten toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.355.032/01
CJIB-nummer
: 250284659
Uitspraak d.d.
: 20 november 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 7 april 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “anders dan met lijnbus of autobus gebruik maken van busbaan of strook aangeduid met ‘bus’”.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het sanctiebedrag met 25 procent dient te worden gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De overschrijding van deze termijn is, anders dan de kantonrechter overweegt, niet toe te rekenen aan de gemachtigde. De reactie van de gemachtigde op de brief van de griffier van de rechtbank van
9 april 2024 is niet in goede orde ontvangen bij de rechtbank doordat er iets is misgegaan met de kenmerken van de zaak. Echter kan het feit dat vervolgens pas een jaar later een zitting wordt ingepland niet aan de gemachtigde worden toegerekend. Er waren in het beroepschrift reeds gronden aangevoerd. De zaak kon dus ‘gewoon’ inhoudelijk worden behandeld.
3. De inleidende beschikking is op 28 juni 2022 aan de betrokkene gestuurd. Daarmee heeft de termijn van berechting in eerste aanleg een aanvang genomen. Deze termijn is geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 7 april 2025.
4. De kantonrechter heeft overwogen dat de gemachtigde op 20 maart 2023 een pro-forma beroepschrift heeft ingediend en vervolgens pas ter zitting van 7 april 2025 de gronden heeft aangevuld. Dit leidt er volgens de kantonrechter toe dat de redelijke termijn van berechting is verlengd in verband met het aan (de gemachtigde van) de betrokkene toe te rekenen niet tijdig aanvullen van de beroepsgronden.
5. De gemachtigde heeft in het beroepschrift van 20 maart 2023 tegen de beslissing van de officier van justitie verzocht om het procesdossier en om een nadere termijn voor het aanvullen van de beroepsgronden. Bij brief van 9 april 2024 is de gemachtigde door de griffier van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 9 mei 2024 de gronden van het beroep aan te vullen. De gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Vervolgens is de gemachtigde bij brief van 5 maart 2025 opgeroepen voor de zitting van 7 april 2025. Ter zitting heeft de gemachtigde, net als in het beroepschrift, de gedraging ontkend.
6. De redelijke termijn van berechting in eerste aanleg kan langer zijn dan twee jaren indien de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of diens gemachtigde is toe te rekenen (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369), maar de kantonrechter moet de voortgang van de procedure bewaken en toezien op afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn. Van dit laatste is onvoldoende gebleken. Eerst ruim een jaar nadat beroep was ingesteld, is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen. Daar heeft de gemachtigde een maand de tijd voor gekregen. Vervolgens heeft het - na het verstrijken van die termijn - nog bijna 11 maanden geduurd voordat het beroep ter zitting van de kantonrechter is behandeld. Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat de langere duur van de procedure niet in overwegende mate aan de gemachtigde is toe te rekenen. De beslissing van de kantonrechter kan niet in stand blijven. Het hof zal het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.020,38 (= (2 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 112,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.020,38.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.