ECLI:NL:GHARL:2025:7293

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
21-004532-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dood door schuld door roekeloos rijgedrag met hoge snelheid in woonwijk met oversteekplaats

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte, geboren in 2002, werd beschuldigd van dood door schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Op 8 april 2023 reed hij met een snelheid van ongeveer 125 km/h door een woonwijk, waar de maximumsnelheid 50 km/h was. Dit leidde tot een fatale aanrijding met een voetganger, die over een gemarkeerde oversteekplaats wilde oversteken. De verdachte heeft de verkeersregels in ernstige mate geschonden door niet tijdig te remmen voor de voetganger, wat resulteerde in haar overlijden. Het hof oordeelde dat de verdachte roekeloos had gehandeld, aangezien hij zich bewust had moeten zijn van het gevaar dat zijn rijgedrag met zich meebracht. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk, maar het hof besloot tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 358 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Tevens werd de rijbevoegdheid van de verdachte voor vijf jaar ontzegd. De benadeelde partij, de zus van het slachtoffer, kreeg een schadevergoeding van € 17.500,00 toegewezen voor affectieschade, ondanks dat broers en zussen in principe geen recht hebben op dergelijke schadevergoeding. Het hof oordeelde dat de bijzondere omstandigheden van de relatie tussen de zussen een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004532-24
Uitspraakdatum: 19 november 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 8 oktober 2024 met parketnummer 16-173047-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Dogan, en de advocaat, mr. C.H. Dijkstra, van de benadeelde partij hebben aangevoerd.

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft aan een verkeersongeval, waardoor een ander is gedood.. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft de rechtbank een ontzegging tot de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren opgelegd. De vordering van benadeelde partij, [benadeelde] , is niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij, op of omstreeks 8 april 2023, te [plaats 1] , althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [weg 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een (zeer) hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was te rijden en/of
- ( bij het naderen van en/of ter hoogte van de oversteekplaats) de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat hij, verdachte, in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en deze vrij was van verkeer en/of
- ( daarbij) een voetgangster (die doende was voornoemde [weg 1] - gezien verdachte(s) (rij)richting van rechts naar links - over te steken, althans die zich (daartoe) op die [weg 1] bevond) niet (tijdig) waar te nemen en/of
- ( vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor voornoemde voetgangster en/of
- ( vervolgens) (met onverminderde snelheid) op/tegen die voetgangster te botsen en/of aan te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair
hij, op of omstreeks 8 april 2023, te [plaats 1] , althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [weg 1] ,
- met een (zeer) hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord heeft gereden en/of
- ( bij het naderen van en/of ter hoogte van de oversteekplaats) de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft aangepast dat hij, verdachte, in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en deze vrij was van verkeer en/of
- ( daarbij) een voetgangster (die doende was voornoemde [weg 1] - gezien verdachte(s) (rij)richting van rechts naar links - over te steken, althans die zich (daartoe) op die [weg 1] bevond) niet (tijdig) heeft waargenomen en/of
- ( vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende is uitgeweken voor voornoemde voetgangster en/of
- ( vervolgens) (met onverminderde snelheid) op/tegen die voetgangster is gebotst en/of is aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs [1]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat het rijgedrag van verdachte is aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat slechts sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de feiten op juiste wijze uiteen heeft gezet en zal deze uiteenzetting dan ook overnemen en dezelfde bewijsmiddelen gebruiken voor een bewezenverklaring.
Een proces-verbaal van aanrijding misdrijf, opgesteld door [naam 1] , voor zover
inhoudende, zakelijk weergegeven:
Locatie ongeval
Datum: 8 april 2023
Adres: [weg 1]
Plaats: [plaats 1]
Soort weg: een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg
Bebouwde kom: binnen
Bijzonderheden: op/nabij vop (het hof begrijpt: voetgangersoversteekplaats)
Maximum snelheid: 50 km per uur

Vermoedelijke toedracht

1: Volkswagen Polo, bestuurd door: [verdachte]
2: Voetganger, [slachtoffer]
1. reed over [weg 1] , komende uit de richting van de [weg 2] .
2 liep over de voetgangersoversteekplaats.
1. verleende 2 geen voorrang waardoor 1 tegen 2 aan reed. [2]

Een proces verbaal van forensisch overlijdensonderzoek persoon [slachtoffer] ,

opgesteld door [naam 2] en [naam 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het slachtoffer, [slachtoffer] , was op zaterdag 8 april omstreeks 14:55 uur
betrokken geweest bij een aanrijding met een personenauto. Om 16:59 uur ontving de meldkamer politie het bericht dat het slachtoffer was overleden. [3]
Op basis van wat door ons werd vastgesteld, alsmede de resultaten van de schouw, wordt
gesteld dat:
- de genoemde persoon [slachtoffer] niet op natuurlijke wijze is overleden. Het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van het verkeersongeval. [4]
Een proces-verbaal van bevindingen betreffende de telefonische verklaring van [getuige 1]
opgesteld door [naam 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Zaterdag 8 april 2023, reed ik als bestuurster van een personenauto over de [weg 2] ,
ongeveer met een snelheid van 50 km per uur. Op het moment dat ik de kruising met [weg 1]
gepasseerd was, zag ik dat een witte personenauto mij met zeer hoge snelheid,
tegemoet reed over de [weg 2] gaande in de richting van [weg 1] . Ik dacht dat deze auto zeker 100 km per uur reed. Ik dacht bij mij zelf nog dat ik erg langzaam reed, vergeleken met die witte auto. [5]
Een proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , opgesteld door [naam 5] en
[naam 6] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Aan de overzijde van [weg 1] bevindt zich een voetbalveldje alwaar veel kinderen
spelen. Aan het einde van [weg 1] bevindt zich een winkelcentrum. [6]
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek verkeer forensisch onderzoek plaats delict, opgesteld door [naam 2] , [naam 3] en [naam 7] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij zagen dat [weg 1] :
  • bestond uit één rijbaan;
  • op de plaats van het verkeersongeval een nagenoeg recht wegverloop had;
  • was verdeeld in 2 rijstroken voor tegengesteld verkeer, die onderling gescheiden werden door middel van onderbroken streep. Ter hoogte van het verkeersongeval was een middenberm geplaatst tussen de twee rijstroken ten behoeve van overstekende weggebruikers.
  • aan beiden zijdes van de rijbaan was voorzien van een vrij liggend fietspad en een trottoir, welke waren gescheiden van de rijbaan door middel van een grasberm. Ter hoogte van het verkeersongeval was de grasberm onderbroken ten behoeve van overstekende weggebruikers.
  • ter hoogte van het verkeersongeval was voorzien van kanalisatiestrepen dwars op de rijbaan, ten behoeve van overstekende weggebruikers.
Wij zagen tijdens de verwerking van de fotogrammetrische vastlegging van de PD in het
programma AutoCAD dat het rechter bandenspoor een lengte had van 57,9 meter. [8]
De personenauto kwam ongeveer 11 meter na de oversteekplaats tot stilstand. De voetgangster kwam rechts naast de personenauto op het wegdek terecht. [9]
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek verkeer remproeven, opgesteld door [naam 2] , [naam 8] en [naam 9] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij hebben bij drie remproeven met het ongevalsvoertuig de afstand van de remweg
opgemeten:
- Bij 50 km/h was deze 8,40 meter
- Bij 90 km/h was deze 33,00 meter
-Bij 110 km/h was deze 43,85 meter
Wij zagen dat de personenauto bij de snelheid van ongeveer 120 km/h een voertuiglengte voor de tijdens het PD-onderzoek aangetroffen eindpositie van de personenauto tot stilstand
kwam. [10]
Met het ongevalsvoertuig is geremd met verschillende snelheden. Hieruit hebben we
geconcludeerd dat de remvertraging van het ongevalsvoertuig toeneemt naarmate de snelheid van het voertuig toeneemt. Bij een remming met het ongevalsvoertuig met 50 km/h op het wegdek van [weg 1] haalde het voertuig een gemiddelde remvertraging van 9,53 m/s2. Bij een remming met het ongevalsvoertuig met een snelheid tussen de 109 km/h en 119 km/h haalde het voertuig een gemiddelde remvertraging van 10,44 m/s2. [11]

Een proces-verbaal van snelheids- en vermijdbaarheidsberekening, opgesteld door

[naam 2] en [naam 8] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Aan de hand van de lengte van de bandensporen en de vastgestelde gemiddelde remvertraging van de personenauto op het wegdek van [weg 1] hebben wij een snelheidsberekening gedaan. Wij hebben hierbij gerekend met een bij remproeven vastgestelde gemiddelde remvertraging van 10,44 m/s2 en een remweg van 57,9 meter. Wij berekenden een snelheid van 34,77 m/s ofwel 125 km/h bij aanvang van het eerst afgetekende bandenspoor.
Uit de statische vermijdbaarheidsberekening blijkt dat het verkeersongeval te voorkomen was geweest. De bestuurder van de personenauto had bij een snelheid van 50 km/h met een
gemiddelde remvertraging van 1,47 m/s2 geremd moeten hebben om te voorkomen dat hij de voetgangster zou raken. Uit de remproeven blijkt dat de personenauto deze remvertraging kon behalen.
Ook blijkt dat als de bestuurder van de personenauto met een snelheid van 50 km/h had gereden en op hetzelfde perceptiepunt, liggend op 63,9 meter voor de oversteekplaats, had gereageerd op de naderende ongevalsdreiging, hij zijn voertuig 45,4 meter voor de plaats waar de voetgangster had overgestoken tot stilstand kunnen brengen. [12]
Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgesteld door [naam 1] en [naam 10] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Waar woon je op dit moment?
A: [adres] . [13]
V: Ben je met de omgeving waar het ongeval plaatsvond bekend?
A: Ik woon in de buurt, dus ja. [14]
V: Kun je de wegsituatie omschrijven?
A: Allemaal bomen aan de linker en rechterkant van de weg.
V: In hoeverre werd jouw zicht belemmerd door voorwerpen of obstakels?
A: Ik zag die mevrouw niet door de bomen. [15]
De verklaring van verdachte op de terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk
weergegeven:
U vraagt mij wat ik fout heb gedaan, ik heb te hard gereden. Het kan kloppen dat ik meer dan 100 kilometer per uur heb gereden. [16]
Het ongeval
Uit het bewijs volgt dat verdachte op 8 april 2023 rond drie uur ’s middags in een personenauto reed op [weg 1] in [plaats 1] . [weg 1] is een weg die door een onderbroken enkele witte middenstreep verdeeld is in twee rijstroken voor verkeer van verschillende rijrichtingen. De maximumsnelheid op deze weg is 50 kilometer per uur. Uit het onderzoek naar het ongeval - de remproeven en snelheids- en vermijdbaarheidsberekening - is gebleken dat verdachte ten tijde van het ongeval ongeveer 125 kilometer per uur heeft gereden. Het slachtoffer kwam van [weg 3] en wilde te voet [weg 1] oversteken bij een oversteekplaats. Vanuit het perspectief van verdachte stak zij over van rechts naar links. Op het moment dat verdachte het slachtoffer opmerkte, heeft hij geremd, maar vanwege de hoge snelheid kon hij de auto niet op tijd tot stilstand brengen, waardoor hij het slachtoffer heeft aangereden. De auto is ongeveer 11 meter na de plek van de aanrijding tot stilstand gekomen. Het slachtoffer is naast de auto op het wegdek terechtgekomen. Zij is naar het ziekenhuis vervoerd en is dezelfde dag aan haar verwondingen overleden.
Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)
Bij de beantwoording van de vraag of het verkeersongeval te wijten is aan de schuld van
verdachte, komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van
gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij de vaststelling van de mate waarin een verdachte schuld heeft aan een ongeval, wordt onderscheid gemaakt tussen i) roekeloos, ii) zeer onvoorzichtig en onoplettend en iii) aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld.
Onder roekeloosheid moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging of gedragingen van een verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl deze verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024: 1405). Artikel 5a. eerste lid, WVW beschrijft - niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. Als de verdachte, door één of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de
verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden
aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander
te duchten is.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte voorafgaand aan het dodelijk verkeersongeval heeft gereden met een snelheid van ongeveer 125 kilometer per uur. Verdachte heeft aldus de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur in ernstige mate overschreden. Het overschrijden van de maximale snelheid is een gedraging die ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder g WVW uitdrukkelijk wordt aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden.
Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte binnen de bebouwde kom reed, dus in een gebied waar zich kwetsbare verkeersdeelnemers begeven, zoals voetgangers en fietsers, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat die fietsers en voetgangers straten oversteken, al dan niet via een voor die verkeersdeelnemers gecreëerde oversteekplaats. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte ter plaatse bekend was, nu hij in de
directe omgeving woont. Verdachte wist dat ter hoogte van de plaats van het
ongeval langs de weg een rij bomen staat, die het zicht vanaf de rijbaan op medeweggebruikers (waaronder fietsers en voetgangers) kan belemmeren. Ook kon hij weten – al was het maar door de weginrichting, waaronder de kanalisatiestrepen die zich op het wegdek bevonden - dat zich op de plek van het ongeval een bijzondere verkeerssituatie met een oversteekplaats bevond. In ieder geval wist hij dat kwetsbare weggebruikers de betreffende straat zouden kunnen oversteken. Het ongeval vond plaats op een zaterdagmiddag en in de buurt van een winkelcentrum en andere voorzieningen, zoals een voetbalveld alwaar veel kinderen spelen.
In verband met de verkeersveiligheid was het evident waarom verdachte zich aan de maximumsnelheid had moeten houden. Hoe harder iemand rijdt, hoe minder die persoon immers kan anticiperen op overstekende voetgangers of fietsers, terwijl het omgekeerde ook geldt. Hoe meer de maximumsnelheid door een auto op de weg die zij oversteken wordt overschreden, des te minder (overstekende) fietsers en voetgangers kunnen anticiperen op naderende auto’s.
In plaats van de maximumsnelheid reed verdachte tweeënhalf keer de maximum toegestane snelheid (ongeveer 125 km per uur waar hij 50 km per uur mocht rijden). Met een dergelijke snelheid maakten overstekende voetgangers of fietsers op [weg 1] grote kans niet levend de overkant te bereiken.
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden door met een veel te hoge snelheid te rijden in een woonwijk met beperkt zicht en aanwezigheid van een met kanalisatiestrepen gemarkeerde oversteekplaats, waar hij niet tijdig heeft kunnen afremmen voor een overstekende voetganger. Doordat verdachte de maximumsnelheid in deze ernstige mate heeft overschreden in deze specifieke omgeving, waar hij rekening moest houden met onder andere overstekende voetgangers, heeft hij géén acht geslagen op (mogelijke) andere verkeersdeelnemers, zoals het slachtoffer in deze zaak en daarmee onaanvaardbare risico’s genomen. Gelet op het voorgaande was de gedraging van verdachte dan ook naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht.
Door het gedrag van verdachte was gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere verkeersdeelnemers te duchten. Het door verdachte gecreëerde gevaar voor het leven van andere verkeersdeelnemers heeft zich die middag ook verwezenlijkt. Als gevolg van de aanrijding door verdachte is [slachtoffer] om het leven gekomen.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot de conclusie dat het rijgedrag van verdachte gezien de daar geldende situatie is aan te merken als rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW en gelet op het hiervoor overwogene daarmee ook als roekeloos in de zin van artikel 6 WVW. Het feit dat verdachte nog heeft proberen te remmen doet hier niet aan af.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
hij, op
of omstreeks8 april 2023, te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijkals bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [weg 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,
in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een
(zeer
)hoge snelheid
, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord waste rijden en
/of
-
(bij het naderen van en/of ter hoogte van de oversteekplaats
)de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat hij,
verdachte,in staat was om zijn,
verdachtes,motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij,
verdachte,die weg kon overzien en deze vrij was van verkeer en
/of
-
(daarbij
)een voetgangster
(die doende was voornoemde [weg 1] - gezien verdachte(s)
(rij
)richting van rechts naar links - over te steken,
althans die zich (daartoe) op die [weg 1] bevond)niet
(tijdig
)waar te nemen en
/of
-
(vervolgens
) niet, althansniet tijdig en
/ofvoldoende af te remmen en
/of niet, althansniet tijdig en
/ofvoldoende uit te wijken voor voornoemde voetgangster en
/of
-
(vervolgens
) (met onverminderde snelheid) op/tegen die voetgangster
te botsen en/ofaan te rijden, waardoor een ander
(genaamd [slachtoffer]
)werd gedood.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Tevens is gevorderd aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van twee jaren.
De raadsvrouw heeft verzocht om naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden op te leggen. Verder heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van één jaar.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersfeit. Hij heeft roekeloos gereden door als bestuurder van een auto binnen de bebouwde kom in een woonwijk met beperkt zicht en waar hij ook rekening moest houden met een oversteekplaats ongeveer 75 kilometer per uur te hard te rijden. Door zo hard te rijden heeft hij het slachtoffer, dat net begonnen was met oversteken, niet op tijd gezien en heeft hij zijn auto niet op tijd tot stilstand kunnen brengen. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat dit fatale ongeluk voorkomen had kunnen worden als verdachte zich aan de verkeersregels had
gehouden. Over de omstandigheden en aanleiding van het ongeluk heeft verdachte weinig
verklaard, maar geconfronteerd met de onderzoeksresultaten heeft hij verklaard dat hij
inderdaad te hard heeft gereden. Verdachte heeft door zijn gedragingen een overstekende voetgangster aangereden en het slachtoffer is dezelfde dag nog in het ziekenhuis overleden als gevolg van de aanrijding. Deze onomkeerbare situatie heeft bij de nabestaanden onherstelbaar leed veroorzaakt.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 30 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Het hof heeft ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen zoals deze door verdachte en zijn raadsvrouw ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft 30 EMDR behandelingen gehad om met de gevolgen van het ongeval om te kunnen gaan. Het hof ziet dat het ongeval een grote impact op verdachte heeft gehad, dat hij verder leeft met een enorm schuldgevoel en dat hij moeite heeft om hierover te spreken. Het hof houdt bij het opleggen van de straf rekening met het feit dat verdachte jong en psychisch kwetsbaar is.
De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in beginsel een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur. Het hof zal aan verdachte dan een gevangenisstraf van één jaar opleggen. Het hof ziet echter, mede gelet op de jeugdige leeftijd en de psychische kwetsbaarheid van verdachte, aanleiding om het overgrote deel van die gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen. Verder zal het hof aan verdachte de maximale taakstraf opleggen. Ter bescherming van de verkeersveiligheid, en om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen, zal het hof de maximaal op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte opleggen.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 358 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis passend en geboden. Daarnaast zal het hof aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaren opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,00 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep door de benadeelde partij op de hardheidsclausule moet worden afgewezen. De lijn in de jurisprudentie is dat gevorderde affectieschade door een broer of zus meestal wordt afgewezen en in deze zaak is volgens de verdediging geen sprake van een geval waarin uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de affectieschade wel zou moeten worden toegekend.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de vraag of de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde in aanmerking komt voor vergoeding van affectieschade.
Het wettelijk kader - affectieschade
Op grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen
nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden
van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW is gespecificeerd
wie hiervoor in aanmerking komen. Het uitgangspunt van de wet is dat alleen een beperkte
kring van personen affectieschade kan vorderen, zoals de partners en kinderen van het
slachtoffer. Een zus van een slachtoffer behoort in beginsel juridisch gezien niet tot die kring. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat een andere persoon, die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat dat hij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108, derde lid, BW wordt aangemerkt, aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Dit betreft de zogeheten hardheidsclausule.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel affectieschade wordt een broer of zus
genoemd als voorbeeld voor toepassing van deze hardheidsclausule. De memorie van
toelichting noemt daarbij als voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen (Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3 (MvT), p. 15). De vraag die het hof moet beantwoorden is of de zus van het slachtoffer een geslaagd beroep kan doen op deze hardheidsclausule, en daarmee aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade.
Beoordeling van de vordering van de benadeelde partij
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij een zus van het slachtoffer is. Aangezien het
uitgangspunt is dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van
affectieschade, moet sprake zijn van een bijzonder geval, in die zin dat de zussen een hechte
affectieve relatie hebben die (zeer) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en
zussen kunnen hebben.
De benadeelde partij heeft in dat kader aangevoerd dat haar zus, toen zij naar Nederland kwam, tien jaar bij haar en haar gezin heeft gewoond. Daarna ging haar zus met haar echtgenoot wonen in [plaats 2] . Toen haar zus na het overlijden van haar echtgenoot, met wie zij 7 jaar getrouwd is geweest, weer in [plaats 1] kwam wonen, brachten de zussen iedere dag met elkaar door: zij gingen wandelen, deden boodschappen , kookten en aten (dagelijks) samen. De zussen vormden een eenheid en waren bovendien de enige twee van het gezin die in Nederland verbleven.
Het hof is van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden een beroep op de wettelijke hardheidsclausule rechtvaardigen. Daarbij betrekt het hof de migratieachtergrond van de benadeelde partij. De migratieachtergrond heeft de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer versterkt, mede omdat de benadeelde partij de Nederlandse taal slechts beperkt beheerst en zij daardoor extra op elkaar aangewezen waren. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het slachtoffer de enige familie van de benadeelde partij in Nederland was. Hoewel de benadeelde partij en het slachtoffer geen gezamenlijk huishouden voerden, hadden zij in ieder geval de tweede helft van hun leven wel een gezamenlijk “
family life”,woonden langdurig onder één dak en zagen elkaar de laatste jaren dagelijks en aten ook samen. Dit maakt, mede, dat het hof van oordeel is dat sprake was van een affectieve relatie die de ‘gewone’ hechte band tussen broers en zussen overstijgt. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
360 (driehonderdzestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
358 (driehonderdachtenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Ontzegt verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
5 (vijf) jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële (affectie-) schade.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële (affectie-) schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 122 (honderdtweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Gilhuis, mr. J.D. den Hartog en mr. J.W.P. Beijen, in aanwezigheid van de griffier mr. G.C. Drenthe en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 november 2025.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 19 november 2025.
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,
mr. Y.A. Hoekstra, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
Verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers, betreft dit pagina’s van op ambtseed of
2.Pagina 5.
3.Pagina 78.
4.Pagina 80.
5.Pagina 163.
6.Pagina 169.
7.Pagina 30.
8.Pagina 33.
9.Pagina 71.
10.Pagina 108.
11.Pagina 109.
12.Pagina 128.
13.Pagina 181.
14.Pagina 186.
15.Pagina 187.
16.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank van 24 september 2024.