Betrokkene is onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen van hennepuitvoer, handelen in strijd met de Opiumwet, deelname aan een criminele organisatie en witwassen over de periode juni 2010 tot april 2011. De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €441.859,27 en legde een betalingsverplichting op.
In hoger beroep stelde het hof het voordeel vast op €206.373,20, met een betalingsverplichting van €185.735,88, verdeeld over onderdelen A, B en C. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor onderdeel C en verwees de zaak terug.
Het hof onderzocht onderdeel C, dat betrekking heeft op de periode januari 2008 tot juni 2010, voorafgaand aan de bewezen feiten. Op basis van het dossier en de jurisprudentie van de Hoge Raad kon niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat betrokkene andere strafbare feiten had gepleegd in die periode. Daarom wees het hof de vordering voor onderdeel C af en bevestigde de betalingsverplichting voor onderdelen A en B.