ECLI:NL:GHARL:2025:7302

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.358.675/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:164 lid 1 BWArt. 3 Verordening EU 2019/1111Art. 827 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zorgregeling en hoofdverblijfplaats na echtscheiding met raadsonderzoek gelast

Partijen zijn in 2003 gehuwd en in 2025 gescheiden. Zij zijn ouders van vier kinderen, waarvan drie minderjarig. In eerste aanleg stelde de rechtbank een zorgregeling en hoofdverblijfplaatsen vast. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen met verzoeken tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van een kind, aanpassing van de zorgregeling en een vergoeding wegens vermeende benadeling van de gemeenschap.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. De zorgregeling tijdens de kerstvakantie wordt gewijzigd conform het verzoek van de moeder, omdat de vader hiertegen geen bezwaar heeft en het in het belang van de kinderen is. Vanwege grote zorgen over het gedrag van de kinderen en een gespannen situatie tussen ouders, wordt een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming gelast naar de zorgregeling en hoofdverblijfplaats, inclusief een beschermingsonderzoek.

De moeder heeft haar verzoek tot inzage in bankafschriften ingetrokken. Het hof verklaart haar ontvankelijk in haar verzoek tot vergoeding wegens benadeling van de gemeenschap, maar wijst dit af omdat onvoldoende is aangetoond dat de vader de gemeenschap heeft benadeeld. De huidige zorgregeling blijft van kracht totdat het onderzoek is afgerond. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de raad voor de kinderbescherming.

Uitkomst: De zorgregeling tijdens de kerstvakantie wordt gewijzigd, een raadsonderzoek gelast en het verzoek tot vergoeding wegens benadeling van de gemeenschap wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.358.675 en 200.358.676
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 570211 en 585055)
beschikking van 20 november 2025
inzake
[appellante],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.E. Kievit,
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. T.C. Cooman.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 oktober 2024, uitgesproken onder zaaknummer 570211, en 30 mei 2025, uitgesproken onder zaaknummers 570211 en 585055. De beschikking van 30 mei 2025 wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 29 augustus 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht namens de vader van 7 november 2025 met producties.
2.2
Op 10 november 2025 hebben [minderjarige1] en [minderjarige2] gesproken met een rechter (raadsheer) en een griffier van het hof.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 11 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2003 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is op [in] 2025 ontbonden door inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
- [minderjarige3] , geboren [in] 2007;
- [minderjarige1] , geboren [in] 2015;
- [minderjarige2] , geboren [in] 2017;
- [minderjarige4] , geboren [in] 2019.
Het oudste kind van partijen, is al meerderjarig.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige4] , de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] en de financiële afwikkeling van de gemeenschap van goederen van partijen die [in] 2025 is ontbonden.
Bij de bestreden beschikking is:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige3] en [minderjarige1] bij de vader en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] en [minderjarige4] bij de moeder bepaald;
- een reguliere zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige4] de ene week bij de vader zijn en de andere week bij de moeder, waarbij de wissel plaatsvindt op maandagochtend (na het brengen van de kinderen naar school of om 10.00 uur);
- een zorgregeling gedurende vakanties vastgesteld waarin onder andere voor
de zomervakantieis bepaald dat de kinderen in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de tweede drie weken bij de vader zijn en in de oneven jaren andersom en voor
de kerstvakantieis bepaald dat de kinderen in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder zijn en in de oneven jaren andersom, waarbij de kinderen in de eerste week op tweede kerstdag van 10.00 uur tot de dag erna 10.00 uur bij de andere ouder zijn;
- de wijze van verdeling gelast.
4.2
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] alsnog bij haar te bepalen en een reguliere zorgregeling betreffende [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige4] vast te stellen waarbij de kinderen in de even weken van donderdag na school of als er geen school is vanaf 14:00 uur tot en met zaterdagmiddag 14:00 uur bij de vader zijn en in de oneven weken een weekend van vrijdag na school of vanaf 14:00 uur als er geen school is tot maandag 14:00 uur en als dat niet wordt toegewezen
- een onderzoek (door de raad voor de kinderbescherming) te gelasten naar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige4] en welke zorgregeling passend is waarbij ook op basis van de Masic en NICHD methode bij beide ouders en de kinderen onderzoek wordt gedaan of er sprake is (geweest) van intieme terreur en welke zorgregeling en/of interventies er passend zijn;
- voor de zorgregeling tijdens vakanties te bepalen dat de kinderen in
de zomervakantiein de even jaren in week 1 bij de moeder, in week 2 bij de vader, in week 3 en 4 bij de moeder en in week 5 en 6 bij de vader verblijven en in de oneven jaren andersom, en dat de kinderen in
de kerstvakantiein de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder verblijven en de oneven jaren andersom.
Aanvullend verzoekt de moeder het hof de vader te veroordelen een bedrag van € 11.035,50 aan de moeder te voldoen wegens benadeling van de gemeenschap of de vader te gelasten zijn salarisstroken en ook de bankafschriften van de bankrekening waarop zijn salaris is gestort over de periode 1 september 2023 tot en met 6 februari 2024 aan het hof te overleggen.
Ten slotte verzoekt de moeder het hof de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van de moeder over de hoofdverblijfplaats, de reguliere zorgregeling en de zorgregeling tijdens de zomervakantie af te wijzen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar aanvullende verzoek dan wel dat verzoek af te wijzen. De vader laat weten geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van de moeder ten aanzien van de zorgregeling tijdens de kerstvakantie (referte). Ten slotte vraagt de vader het hof de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.4
Het hof zal de zaken met nummers 200.358.675 en 200.358.676 per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Uit de stukken blijkt dat de moeder, in ieder geval op het moment van het sluiten van het huwelijk tussen partijen, de Indonesische nationaliteit heeft (gehad). Het hof zal daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
5.2
Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de echtscheiding en de nevenvoorzieningen omdat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het moment dat het verzoek tot echtscheiding werd ingediend (artikel 3 Verordening Pro EU 2019/1111 (Brussel II-ter)).
5.3
De rechtbank heeft op de verzoeken Nederlands recht van toepassing geacht. Nu tegen dit oordeel geen grief is gericht, zal ook het hof bij de beoordeling Nederlands recht tot uitgangspunt nemen.
Zorgregeling en hoofdverblijfplaats (zaaknummer 200.358.675)
5.4
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen voor de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
De zorgregeling tijdens de kerstvakantie
5.5
Omdat de vader geen bezwaar heeft tegen het verzoek van de moeder ten aanzien van de zorgregeling tijdens de kerstvakantie en het hof de verzochte wijziging in het belang van de kinderen vindt, zal het hof dat verzoek van de moeder toewijzen.
Raadsonderzoek
5.6
Gebleken is dat er grote zorgen zijn over het gedrag van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige4] sinds de echtscheiding van de ouders. Zo vertellen beide ouders dat de kinderen op momenten druk en agressief zijn en grof taalgebruik hebben. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad voor de kinderbescherming benadrukt dat de betrokken instanties zien dat sprake is van een verharde strijd tussen de ouders waar de kinderen de dupe van worden. De ouders zijn het met elkaar eens dat het voor de kinderen van belang is dat ze hulpverlening krijgen, maar verschillen van mening over welke hulpverlening dat zou moeten zijn. Dit maakt dat deze hulpverlening tot nu toe onvoldoende van de grond komt. Ook is gebleken dat de ouders ondanks hun toezegging daartoe tot op heden niet zijn gestart met Solo Parallel Ouderschap. De moeder heeft in dat kader laten weten dat het voor haar niet duidelijk was waar zij zich kon aanmelden. Daarnaast voert de moeder aan dat van haar niet gevergd kan worden om zich voor dit traject aan te melden omdat de vader zich schuldig maakt aan intieme terreur.
5.7
Voor het hof is duidelijk dat de kinderen zich in een onrustige en spanningsvolle situatie bevinden. Een grote zorg is wat dit voor (de ontwikkeling van) de kinderen betekent. Tijdens de mondelinge behandeling is daarom het belang van het inzetten van hulpverlening voor de kinderen en de ouders zonder verdere vertraging besproken. In dat kader heeft de moeder toegezegd alsnog mee te zullen werken met de al ingezette hulpverlening voor de kinderen, namelijk bij [hulpverlener] voor [minderjarige2] en [minderjarige4] en [hulpverlener1] voor [minderjarige1] , de kinderen in haar week naar de afspraken te zullen brengen en zich zonder verdere vertraging te zullen gaan aanmelden voor Solo Parallel Ouderschap. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad voor de kinderbescherming benadrukt dat het van belang is dat ondanks de scheiding van de ouders en de verhuizing van de moeder, het leven voor de kinderen zoveel mogelijk hetzelfde blijft. In dat kader heeft de moeder toegezegd de kinderen minimaal een keer naar Taekwondo te zullen brengen in de week dat de kinderen in het kader van de zorgregeling bij haar zijn.
5.8
Voor het hof is op dit moment niet duidelijk of en in hoeverre de huidige onrustige en spanningsvolle situatie van invloed is op de vast te stellen zorgregeling en hoofdverblijfplaats. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad voor de kinderbescherming aangeboden om een onderzoek te doen naar de voorliggende verzoeken. Omdat het hof zich op grond van de nu beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen geven, zal het hof van dat aanbod van de raad voor de kinderbescherming gebruik maken.
5.9
Gelet op het voorgaande verzoekt het hof de raad voor de kinderbescherming om een onderzoek te starten naar de volgende vragen:
- welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige4] ?
- hoe moet die regeling qua aard, duur en frequentie vormgegeven worden?
- welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige4] ?
- zijn er bij het onderzoek nog bijzonderheden naar voren gekomen die voor de beoordeling van de zaak door het hof van belang kunnen zijn?
Het hof merkt daarbij op dat verwacht wordt dat de raad voor de kinderbescherming het onderzoek zal uitbreiden met een beschermingsonderzoek zoals de raad voor de kinderbescherming al heeft aangekondigd op de mondelinge behandeling.
5.1
De raad voor de kinderbescherming heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld te verwachten dat het negen maanden zal duren voordat het onderzoek is afgerond. Daarom zal het hof de beslissing op de verzoeken in deze zaak aanhouden, zoals in het dictum vermeld. Het hof zal de raad voor de kinderbescherming verzoeken om over het verloop van een en ander te rapporteren.
5.11
Net als de raad voor de kinderbescherming acht het hof het in het belang van de kinderen dat de huidige (reguliere) zorgregeling gedurende het onderzoek wordt voortgezet. De huidige zorgregeling loopt inmiddels al geruime tijd en [minderjarige1] en [minderjarige4] hebben tijdens het gesprek met het hof laten weten dat zij hier inmiddels ook aan gewend zijn.
Uitleg aan [minderjarige1] en aan [minderjarige2]
5.12
[minderjarige1] wil de beslissing graag horen van de ouder bij wie verblijft op het moment dat de beslissing bekend wordt. Op verzoek van [minderjarige2] zal het hof de beslissing in deze zaak aan hem meedelen door middel van een brief. Het hof heeft de beslissingen in die brief aan [minderjarige2] uitgelegd.
De afwikkeling van de huwelijksgemeenschap (zaaknummer 200.358.676)
Het verzoek tot inzage
5.13
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoek tot inzage in de bankafschriften ingetrokken, zodat dat verzoek van de moeder niet meer door het hof hoeft te worden beoordeeld.
Het verzoek tot vergoeding wegens benadeling van de gemeenschap
(niet-)ontvankelijkheid
5.14
De vader voert aan dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar aanvullend verzoek tot veroordeling van betaling van een bedrag van € 11.035,50 aan de moeder wegens benadeling van de gemeenschap, omdat dat verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan. De moeder stelt zich op het standpunt dat van een aanvullend verzoek geen sprake is nu het verzoek van de moeder als een concretisering van haar verzoek in eerste aanleg ten aanzien van de verdeling van het salaris en het vakantiegeld van de vader moet worden gezien. Hoe dan ook, wat de vader aanvoert kan niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. Het hof overweegt in dat kader dat het klopt dat in het algemeen geldt dat in hoger beroep geen zelfstandig verzoek kan worden gedaan, maar dat in geval van echtscheiding op grond van artikel 827 Rv Pro als nevenvoorziening een (aanvullend) verzoek kan worden gedaan, ook voor het eerst in hoger beroep. De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek. [1]
inhoudelijke beoordeling
5.15
Artikel 1:164 lid 1 BW Pro bepaalt dat indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt of goederen van de gemeenschap heeft verspild, hij gehouden is de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.
5.16
De moeder stelt – kort weergegeven – dat de vader de gemeenschap van goederen heeft benadeeld door zijn salaris van september 2023 tot en met 6 februari 2024 niet meer op de gemeenschappelijke rekening te storten. De moeder vraagt om een vergoeding van de helft van dat salaris. Omdat de moeder geen inzicht had in het netto maandsalaris van de vader over die periode, heeft zij in het beroepschrift een schatting gemaakt van de hoogte van die vergoeding. De moeder heeft daarnaast om inzage in de bankafschriften over deze periode gevraagd, zodat kan worden vastgesteld welk bedrag er op de rekening van de vader is gestort en waar de gelden aan zijn uitgegeven. Bij zijn verweerschrift heeft de vader de door de moeder verzochte bankafschriften in het geding gebracht en betwist dat sprake is van benadeling van de gemeenschap.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder laten weten dat van de vordering van € 11.035,50 het reeds betaalde bedrag van € 4.451,50 (de helft van het op de peildatum resterende saldo) dient te worden afgetrokken, zodat haar vordering in hoger beroep € 6.584,- bedraagt.
5.17
Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de moeder gelegen om na ontvangst van de bankafschriften van de vader concreet uiteen te zetten met welke uitgaven de vader de gemeenschap heeft benadeeld. Dat heeft de moeder echter nagelaten. De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar een aantal uitgaven benoemd, maar voor het hof is niet duidelijk of vader dergelijke uitgaven tijdens het huwelijk ook van zijn inkomen betaalde. De vader zal naar verwachting gedurende het huwelijk immers ook kleding voor zichzelf hebben gekocht en eventuele verkeersboetes hebben moeten betalen en andere uitgaven voor zichzelf hebben gedaan. Daar komt bij dat niet is gesteld waar het geld aan was besteed als het wel op de gezamenlijke bankrekening was gestort.
5.18
Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de vader de gemeenschap heeft benadeeld, zodat het hof het verzoek van de moeder tot vergoeding wegens benadeling van de gemeenschap zal afwijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met nummer 200.358.675
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 mei 2025 ten aanzien van de daarin vastgestelde zorgregeling tijdens de kerstvakantie, en op dit punt opnieuw beschikkende:
stelt als zorgregeling tijdens de kerstvakantie vast dat [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige4] in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder verblijven, en de oneven jaren andersom;
alvorens verder te beslissen:
verzoekt de raad voor de kinderbescherming een nader onderzoek in te (doen) stellen als hiervoor onder 5.9 omschreven en daaromtrent uiterlijk op 9 september 2026 te rapporteren;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad voor de kinderbescherming te bepalen datum, waarvoor de ouders en de raad voor de kinderbescherming zullen worden opgeroepen;
bepaalt dat het onderzoek door de raad voor de kinderbescherming zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. Phaff;
bepaalt dat de raad voor de kinderbescherming zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot deze raadsheer-commissaris;
bepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris;
in de zaak met nummer 200.358.676
wijst het verzoek van de moeder tot vergoeding wegens benadeling van de gemeenschap af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M. van Os-ten Have en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 362 Rv Pro geldt niet voor nevenvoorzieningen bij echtscheiding, zie HR 7 april 2000, NJ 2000/377; HR 23 februari 2001, NJ 2001/237