Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een vader tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland over de omgangsregeling met zijn jonge kind, geboren in 2018. De vader woont in een TBS-kliniek en het kind woont bij de moeder, die het gezag uitoefent. De rechtbank had een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader eens per drie maanden contact heeft met het kind tijdens kinddagen in de TBS-kliniek, begeleid door hulpverlening, en videobellen eens per zes weken met mogelijke uitbreiding.
De vader verzocht het hof om een frequentere omgangsregeling, waaronder maandelijks contact naast de kinddagen en videobellen eens per zes weken met uitbreiding naar eens per twee weken, met dwangsommen bij niet-nakoming door de moeder. De moeder verzocht het hof de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.
Het hof oordeelde dat de omgangsregeling van eens per drie maanden tijdens de kinddagen in het belang is van het kind, gezien de lastige situatie, de jonge leeftijd van het kind en de afstand naar de TBS-kliniek. Het hof volgde het advies van de raad voor de kinderbescherming om eerst het huidige contact goed te laten verlopen voordat uitbreiding wordt overwogen. Ook de frequentie van het videobellen van eens per zes weken is passend, met een verbetering dat uitbreiding naar eens per vier weken kan plaatsvinden indien de hulpverlening dit adviseert.
Het hof wees het verzoek tot dwangsom af omdat geen bewijs was dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt. De bestreden beschikking werd bekrachtigd met een verbetering van de regeling voor videobellen. De vader kreeg geen verdere uitbreiding van de omgang toegewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de omgangsregeling van eens per drie maanden contact onder begeleiding en videobellen eens per zes weken met mogelijke uitbreiding.