ECLI:NL:GHARL:2025:7310

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.355.536/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgangsregeling vader met jong kind onder begeleiding bij TBS-kliniek

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een vader tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland over de omgangsregeling met zijn jonge kind, geboren in 2018. De vader woont in een TBS-kliniek en het kind woont bij de moeder, die het gezag uitoefent. De rechtbank had een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader eens per drie maanden contact heeft met het kind tijdens kinddagen in de TBS-kliniek, begeleid door hulpverlening, en videobellen eens per zes weken met mogelijke uitbreiding.

De vader verzocht het hof om een frequentere omgangsregeling, waaronder maandelijks contact naast de kinddagen en videobellen eens per zes weken met uitbreiding naar eens per twee weken, met dwangsommen bij niet-nakoming door de moeder. De moeder verzocht het hof de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

Het hof oordeelde dat de omgangsregeling van eens per drie maanden tijdens de kinddagen in het belang is van het kind, gezien de lastige situatie, de jonge leeftijd van het kind en de afstand naar de TBS-kliniek. Het hof volgde het advies van de raad voor de kinderbescherming om eerst het huidige contact goed te laten verlopen voordat uitbreiding wordt overwogen. Ook de frequentie van het videobellen van eens per zes weken is passend, met een verbetering dat uitbreiding naar eens per vier weken kan plaatsvinden indien de hulpverlening dit adviseert.

Het hof wees het verzoek tot dwangsom af omdat geen bewijs was dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt. De bestreden beschikking werd bekrachtigd met een verbetering van de regeling voor videobellen. De vader kreeg geen verdere uitbreiding van de omgang toegewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de omgangsregeling van eens per drie maanden contact onder begeleiding en videobellen eens per zes weken met mogelijke uitbreiding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.536
(zaaknummer rechtbank Gelderland 433922)
beschikking van 20 november 2025
inzake
[appellant],
thans verblijvende in de [TBS-kliniek] , gemeente [plaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. T.H. Westerhof-Dijkstra,
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.P. Adema.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 juni 2024 en 10 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Laatstgemelde beschikking zal hierna de bestreden beschikking worden genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 juni 2025;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht van mr. Westerhof-Dijkstra van 3 oktober 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en twee begeleiders;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2018 (hierna: [minderjarige] ).
[minderjarige] woont bij de moeder. De moeder oefent het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
In de beschikking van 18 juni 2024 heeft de rechtbank de verzoeken van de vader om een DNA-onderzoek te gelasten en om hem samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten, afgewezen. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van een omgangs- en informatieregeling en de beslissing over de omgangs- en informatieregeling in afwachting hiervan aangehouden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de invulling van het recht op omgang van de vader met [minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling vastgelegd waarbij [minderjarige] begeleid door de hulpverlening van de gemeente contact heeft met de vader:
- eens per drie maanden, overeenkomstig de kinddagen bij [de TBS kliniek] , waarbij [minderjarige] begeleid wordt, en
- eens per zes weken via (video)bellen, waarbij uitbreiding naar videobellen eens per twee maanden ter bepaling van de hulpverleners is.
4.2
De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De grieven zien op de omgangsregeling.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de omgangsregeling en de beeldbelmomenten en, opnieuw beschikkende:
1. een meer frequentere omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] , bijvoorbeeld één keer per maand naast de kinddagen bij [de TBS kliniek] , onder professionele en onafhankelijke begeleiding, welke kan worden uitgebreid uitsluitend onder regie van een professionele en onafhankelijke professional, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht;
2. te bepalen dat de vader en [minderjarige] eens per zes weken (video)bellen, met mogelijkheid tot uitbreiding naar eens per twee weken,
op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de moeder daaraan niet meewerkt tot een maximum van € 10.000,-.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
5.2
Het hof is net als de rechtbank, en op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] van eens per drie maanden, tijdens de kinddagen van [de TBS kliniek] , in het belang is van [minderjarige] . Deze omgangsregeling zal worden begeleid door de hulpverlening die de vader via de gemeente heeft. Sinds de bestreden beschikking heeft [minderjarige] twee keer contact gehad met de vader bij [de TBS kliniek] . Het hof begrijpt dat deze momenten voor [minderjarige] goed zijn verlopen. Desondanks is sprake van een lastige situatie. [minderjarige] heeft veel meegemaakt, tussen de ouders loopt het nog niet goed en er is sprake van veel stress. Daarbij is [minderjarige] nog erg jong en moet hij om contact met zijn vader te hebben naar een tbs-kliniek op bijna twee uur rijden van zijn woonplaats. Het hof volgt de raad in zijn advies dat het belangrijk is dat eerst wordt gefocust op het goed verlopen van het huidige contact tijdens de kinddagen van eenmaal per drie maanden, voordat kan worden gedacht aan uitbreiding van het contact. Hoewel deze frequentie lager is dan de vader wenst, geeft dit [minderjarige] wel de heldere structuur die de vader voor hem wil. Het hof acht positief dat de vader opnieuw de vader-kind-module heeft opgepakt en dat hij zijn best doet meer samenwerking te zoeken.
5.3
Voor wat betreft de frequentie van de videobelmomenten is het hof ook net als de rechtbank van oordeel dat eens per zes weken in het belang van [minderjarige] is. Deze kunnen worden uitgebreid naar eens per vier weken indien de hulpverlening vindt dat ze goed verlopen en uitbreiding in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank heeft de frequentie van de uitbreiding in het dictum niet correct opgenomen, zodat het hof deze hierna zal verbeteren.
5.4
Het hof zal geen dwangsom opleggen, omdat niet is gebleken dat de moeder de omgangsregeling en de belmomenten niet nakomt.

6.De slotsom

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – deels met verbetering van gronden – bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 10 maart 2025 voor zover het betreft de vastgestelde omgangsregeling, en met verbetering van gronden voor zover het betreft de regeling voor het videobellen in die zin dat er, ter bepaling van de hulpverlener, een uitbreiding kan plaatsvinden naar eens per vier weken;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, P.B. Kamminga en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.