Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 2.614, vermeerderd met belastingrente. Na bezwaar werd de aanslag verminderd tot € 2.309, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
In hoger beroep stond centraal de vraag of de schade aan de gebruikte geïmporteerde auto hoger was dan het door de Inspecteur geaccepteerde bedrag van € 3.039. Belanghebbende kon dit niet aannemelijk maken, mede gelet op een factuur van schadeherstel van € 2.872,48. Het Hof sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank.
Partijen sloten ter zitting een compromis waarbij werd overeengekomen de naheffingsaanslag te verminderen tot € 2.249. Het Hof besloot conform dit compromis en kende belanghebbende een vergoeding toe van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep, totaal € 5.322.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar, en bepaalde dat de naheffingsaanslag en belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd. De Staat werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, en de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.