ECLI:NL:GHARL:2025:7365

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
23/2300
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake omzetbelasting en de toepassing van artikel 37d Wet OB 1968 met betrekking tot de overdracht van een onderneming

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland. De belanghebbende, VOF Jan en Rita [naam1], heeft op 1 november 2019 een bedrag van € 69.300 aan omzetbelasting voldaan over het derde kwartaal van 2019. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende in beroep ging. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de inspecteur veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag aan belanghebbende, alsook tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. De inspecteur heeft hoger beroep ingesteld, waarbij de vraag centraal staat of artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting van toepassing is op de door belanghebbende ontvangen vergoeding uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst (VSO) die in 2019 is gesloten. Het Hof oordeelt dat de vergoeding die in 2019 is overeengekomen niet kan worden aangemerkt als een betaling voor de overdracht van een algemeenheid van goederen, omdat de software en andere activa expliciet zijn uitgesloten van de eerdere overdracht. Het Hof komt tot de conclusie dat de inspecteur terecht de teruggave van de omzetbelasting heeft geweigerd. Tevens wordt belanghebbende een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 23/2300
uitspraakdatum: 18 november 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 25 mei 2023, nummer AWB 21/2892, ECLI:NL:RBNNE:2023:2367 in het geding tussen de inspecteur en
VOF Jan en Rita [naam1]te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
alsmede
de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid, hierna: de Minister)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft op 1 november 2019 op aangifte een bedrag van € 69.300 aan omzetbelasting voldaan over het tijdvak 1 juli 2019 tot en met 30 september 2019 (het derde kwartaal van 2019).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat de Inspecteur het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag van € 69.300 terugbetaalt aan belanghebbende. Verder heeft de Rechtbank een vergoeding voor immateriële schade toegekend vanwege een overschrijding van de redelijke termijn en de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende veroordeeld en gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2025 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende haar vennoten, [naam1] en [naam2] , bijgestaan door haar gemachtigde drs. A. Bremmer, alsmede drs. [naam3] en mr. [naam4] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
1.6.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, alsmede vergoeding van reiskosten op basis van openbaar vervoer tweede klasse. Uitgaande van de vaste gedragsregel van de Inspecteur zich tegen een dergelijk verzoek niet te verzetten, zal het Hof dit verzoek om redenen van doelmatigheid bij het oordeel betrekken zonder het onderzoek formeel te heropenen.

2.Vaststaande feiten

2.1.
De heer [naam1] en mevrouw R. [naam1] -Veldmeijer (hierna tezamen: de vennoten) hebben vanaf 2008 een methode in mediërende levensloopbegeleiding ontwikkeld, genaamd “ [bedrijf1] ”, en de software “ [naam5] ”.
2.2.
Op 1 januari 2011 hebben de vennoten de vennootschap onder firma [bedrijf1] opgericht (hierna: VOF [bedrijf1] ). In het handelsregister bij de Kamer van Koophandel (KvK) is vermeld dat de activiteiten van VOF [bedrijf1] bestaan uit lokaal welzijnswerk en ontwikkelingsgerichte zorginstelling.
2.3.
Bij notariële akte van 11 juli 2014 hebben de vennoten met mevrouw [naam6] (hierna: [naam6] ) de Stichting [bedrijf1] opgericht. Volgens de inschrijving in het handelsregister bij de KvK bestaan de activiteiten van Stichting [bedrijf1] uit ambulante jeugdzorg en het verlenen van mediërende levensloopbegeleiding aan jongeren. Het bestuur van de stichting werd na de oprichting gevormd door mevrouw [naam1] en [naam6] .
2.4.
Op 29 september 2014 is een viertal overeenkomsten gesloten tussen VOF [bedrijf1] en Stichting [bedrijf1] . Het betreft de volgende overeenkomsten:
- Afspraken overdracht [bedrijf3] ;
- Overeenkomst van recht van gebruik;
- Verklaring overname zorgactiviteiten;
- Huurovereenkomst kantoorruimte.
2.5.
In de overeenkomst ‘afspraken overdracht [bedrijf3] ’ (hierna: [bedrijf3] -overeenkomst), tussen VOF [bedrijf1] als verkoper en Stichting [bedrijf1] als koper, staat – voor zover van belang – het volgende:
“1. Verkoper verkoopt aan Koper de door Verkoper onder de handelsnaam “ [bedrijf1] ” gedreven onderneming voor wat betreft het verlenen van extramurale zorg, exclusief [naam11] en software. Overgedragen worden het recht van gebruik van de handelsnaam [bedrijf1] alsmede alle [bedrijf3] van die onderneming waaronder de materialen, het meubilair en de apparatuur, te weten al wat nodig is voor het voortzetten van de ondernemingsactiviteiten van Verkoper op het gebied van het verlenen van extramurale zorg door Koper, zoals benoemd in de
aangehechte lijst. De overdracht vindt plaats op 1 oktober 2014.
2. Ook neemt Koper van Verkoper over de overeenkomsten die met derden zijn gesloten en die benodigd zijn voor het voortzetten van de ondernemingsactiviteiten.
3. De overdracht vindt plaats tegen een overnamesom ter grootte van € 12.500 (zegge: twaalfduizend vijfhonderd euro).
4. Partijen gaan ervan uit, dat op onderhavige overdracht artikel 37d van de Wet Omzetbelasting van toepassing is.”
2.6.
In de ‘overeenkomst van recht van gebruik’ (hierna: gebruiksovereenkomst) tussen VOF [bedrijf1] als ingebruikgever en Stichting [bedrijf1] als gebruiker, is – voor zover van belang – het volgende vastgelegd:
Artikel 1. Het gebruiksrecht
1.1.
Met ingang van 1 oktober 2014 verleent Ingebruikgever aan Gebruiker het recht van gebruik van het concept [bedrijf1] en de software [naam5] gedurende een periode van tien jaren.
1.2.
Na ommekomst van de periode van tien jaren heeft Gebruiker het recht deze overeenkomst te verlengen met tien jaar, waarbij nieuwe afspraken over de hoogte van de vergoeding zullen worden gemaakt. Voor verlenging is in beginsel voorwaardelijk dat deze verlenging, alsmede de opnieuw vast te stellen voorwaarden, vóór het einde van deze overeenkomst, ergo vóór 1 oktober 2024, schriftelijk zijn vastgelegd.
Artikel 2. Vergoeding gebruiksrecht
De vergoeding voor het gebruiksrecht zal bestaan uit drie elementen:
- een vergoeding in de vorm van een percentage van de omzet (artikel 3);
- een vergoeding voor de kosten doorontwikkeling programma en promotie (artikel 4);
- een vergoeding voor kosten aan derden (artikel 5).
Over alle hierna genoemde vergoedingen zal omzetbelasting in rekening worden gebracht.
Artikel 3. Vergoeding in de vorm van een percentage van de omzet
3.1.
De vergoeding voor het gebruik van het concept [bedrijf1] zal bestaan uit een geldsom ter grootte van 8% van de jaaromzet, gerekend in kalenderjaren, exclusief BTW.
3.2.
Over de omzet van € 1 mio en hoger zal de vergoeding bestaan uit 4% van de omzet.
3.3.
Voor de jaren 2014 en 2024 ligt de in lid 2 genoemde omzetgrens op € 250.000 resp. € 750.000.
3.4.
Voor het jaar 2024 zal de omzet worden gebaseerd op de tussentijdse cijfers per 30 september 2024.
3.5.
Gebruiker zal het gebruiksrecht in maandelijkse voorschotbedragen van € 4.000 (ex BTW) voldoen, uiterlijk op de laatste dag van de maand. Op basis van de definitieve jaarcijfers van Gebruiker vindt een definitieve afrekening plaats. Partijen spreken af dat afrekening en betaling binnen een maand na de vaststelling van de definitieve jaarrekening van Gebruiker zal zijn afgewikkeld.”
Artikel 4. Vergoeding voor ambassadeurschap
4.1.
Voor promotie van het concept zal voor een bedrag ad € 10.000 op jaarbasis door Gebruiker aan Ingebruikgever worden bijgedragen.
4.2.
Bij het vaststellen van onderhavige vergoeding is uitgegaan van een investering van 120 uur op jaarbasis.
4.3.
Genoemde uren worden besteed aan:
Ambassadeursactiviteiten, zoals het geven van voorlichting en liet uitdragen van het [bedrijf1] concept aan derden.
4.4.
Het aantal bestede uren zal worden bijgehouden met daarbij een toelichting waaraan de uren zijn besteed, Ingeval er substantieel meer, dan wel minder uren benodigd blijken voor de in dit artikel genoemde werkzaamheden, zullen partijen met elkaar in overleg treden voor het maken van nadere afspraken over dit onderdeel van de vergoeding. Deze nadere afspraken kunnen alleen gelden voor de toekomst. In overleg kan ervoor worden gekozen de nieuwe afspraken terug te laten werken tot het moment van aanvang van het overleg over de omvang van dit onderdeel van de gebruiksvergoeding of een ander, later gelegen tijdstip.
4.5.
Gebruiker zal de kosten doorontwikkeling concept in maandelijkse bedragen van€ 833,33 voldoen, uiterlijk op de laatste dag van de maand.
Artikel 5. Vergoeding kosten aan derden
5.1.
De kosten aan derden die Ingebruikgever in verband met het concept maakt, zullen zonder opslag worden doorbelast aan Gebruiker. Deze kosten moeten verband houden met de in artikel 4 genoemde werkzaamheden.
(...)
Artikel 6. Gebruik van het concept
6.1.
Gebruiker is verplicht het concept uitsluitend te gebruiken binnen de doelstelling van de stichting, zoals die luidde bij oprichting.
2.7.
Bij brief van 29 april 2013 heeft VOF [bedrijf1] bij de Inspecteur een verzoek om vooroverleg ingediend en voorgelegd of VOF [bedrijf1] en de op te richten entiteiten Stichting [bedrijf1] en [bedrijf1] B.V. als fiscale eenheid voor de omzetbelasting kunnen worden aangemerkt. Naar aanleiding van dit verzoek heeft contact tussen partijen plaatsgevonden. Op 29 oktober 2015 heeft de Inspecteur medegedeeld dat bij een negatieve beslissing door de Inspecteur niet zal worden teruggekomen op het verleden, nu VOF [bedrijf1] en Stichting [bedrijf1] handelden alsof er sprake was van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.
2.8.
Op 20 april 2016 heeft de Inspecteur aan VOF [bedrijf1] meegedeeld dat hij van mening is dat er geen sprake is van financiële verwevenheid en er dus geen sprake is van een fiscale eenheid omzetbelasting. VOF [bedrijf1] is vanaf 1 april 2016 uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting.
2.9.
Op 18 maart 2019 is tussen Stichting [bedrijf1] en de vennoten een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten. Daarin is onder meer het volgende vastgelegd:

In aanmerking nemende:
A. [de vennoten] hebben sinds omstreeks 2008 het concept Mediërende Levensloopbegeleiding (MLB) ontwikkeld voor de behandeling en begeleiding van kinderen/jongeren en volwassenen met ASS, ADHD en ADD en hun ouders (de doelgroep). Zij hebben zorg op deze basis uitgevoerd als ondernemers in de v.o.f. [bedrijf1] .
B. Op 1 oktober 2014 hebben [de vennoten] hun -inmiddels goed lopende- onderneming overgedragen aan de Stichting [bedrijf1] . Daartoe zijn -op advies van de heer [naam7] van [bedrijf2] b.v. - een aantal overeenkomsten gesloten tussen hen en de opgerichte Stichting [bedrijf1] , te weten
-
een “Overeenkomst van recht en gebruik”
-
een “Verklaring overname zorgactiviteiten”
-
een “Afspraken overdracht [bedrijf3] ”
-
een “Huurovereenkomst kantoorruimte”.
Het samenstel van de overeenkomsten had tot doel een overdracht van de onderneming tegen een gespreide betaling van de koopsom.
Een v.o.f.-overeenkomst tussen de Stichting [bedrijf1] en [de vennoten] werd wel opgesteld, maar nooit ondertekend en heeft geen praktische betekenis gehad.
C. De contracten zijn door [de vennoten] aangegaan in hun verschillende hoedanigheden van enerzijds vennoot van de v.o.f. [bedrijf1] en anderzijds als bestuurder van de Stichting [bedrijf1] . Tot het bestuur van de Stichting [bedrijf1] behoorde in die tijd tevens [ [naam6] ].
D. De intentie van [de vennoten] was aldus de zorg op basis van MLB aan deze doelgroep continuïteit te bieden, financiële middelen maximaal bij de doelgroep te brengen (stichting en geen besloten vennootschap) en zelf de tijd en de financiën te krijgen om hun MLB-gedachtegoed verder te ontwikkelen, theoretisch te onderbouwen en overdraagbaar te maken en wetenschappelijk te (doen) onderzoeken ten behoeve van de door Stichting [bedrijf1] uit te voeren zorg en dienstverlening aan de doelgroep. E.e.a. in onderlinge verbondenheid met Stichting [bedrijf1] .
E. In de praktijk is dit anders gelopen. De uitvoering van zorg aan de doelgroep verliep en verloopt binnen de Stichting succesvol.
Het kostte echter – aanvankelijk- moeite geschikte bestuurders en directeuren te vinden ([de vennoten] bleven daardoor noodgedwongen -onbezoldigd- bestuurder) waardoor de intentie sub D -met name de taakverdeling- niet kon worden gerealiseerd.
De percentueel overeengekomen vergoeding ter zake de inbreng van de onderneming en de andere afspraken werden in een later stadium intern (door leden Raad van Toezicht/latere bestuurders en adviseurs) bekritiseerd.
Het herijkingsproces mbt de afspraken sub B -waartoe [de vennoten] in principe bereid waren- verliep moeizaam en in steeds verder gaande verstoorde en wantrouwende verhoudingen.
Een en ander werd versterkt door veranderde financierings- en zorglijnen in de zorgsector
F. De Stichting heeft de “Overeenkomst van recht en gebruik” en de “Huurovereenkomst kantoorruimte” opgezegd. De rechtmatigheid van de opzegging van de “Overeenkomst van recht en gebruik” wordt door [de vennoten] betwist.
G. Partijen zijn in 2018 overeengekomen met elkaar in mediation naar een oplossing te zoeken. Zij hebben diverse mediationgesprekken gevoerd. De Stichting is in deze gesprekken vertegenwoordigd door de bestuursleden [naam8] , [ [naam6] ] en [naam9] . De heer [naam10] , voorzitter van de Raad van Toezicht, heeft voorts aan de eerste paar mediationgesprekken deelgenomen.
H. Partijen hebben geconstateerd dat zij de aanvankelijke doelstelling -zoals sub D verwoord- nog steeds nastreven.
De (bestuursleden van de) Stichting [bedrijf1] verklaren nadrukkelijk dat zij geen enkele twijfel hebben dat de overeenkomsten sub B door [de vennoten] in hun verschillende hoedanigheden te goeder trouw zijn aangegaan.
I. Partijen wensen voor de toekomst afspraken te maken op basis van de volgende wensen en behoeften:
- ieders krachten en mogelijkheden worden ten dienste van de doelgroep ingezet en verder tot ontwikkeling gebracht
- MLB toegankelijk maken voor en aanbieden aan zo veel mogelijk kinderen/jongeren en volwassenen met ASS, ADHD en ADD en hun ouders
- ieder dit doet vanuit de eigen taken, krachten en mogelijkheden:
* de Stichting: door het voortzetten van de van [de vennoten] overgenomen zorg aan de doelgroep op basis van Mediërende Levensloopbegeleiding en het meewerken aan wetenschappelijk onderzoek;
* [de vennoten]: door het verder ontwikkelen, meewerken aan c.q. wetenschappelijk (doen) onderzoeken, theoretisch onderbouwen, overdraagbaar maken en het overdragen van kennis op het gebied van Mediërende Levensloopbegeleiding, alsmede het ontwikkelen van producten ter ondersteuning hiervan zoals opleiding, trainingen, boeken, spellen;
- respect voor elkaars vrijheid om de eigen taak naar eigen inzichten uit te voeren, naast elkaar en -op verzoek en in gelijkwaardigheid- met elkaar, gericht op de doelgroep;
- elkaar ondersteunend waar gewenst (o.a. ten aanzien van de ervaringen in de praktijk mbt MLB bij de doelgroep → kruisbestuiving theorie en praktijk)
- elkaar de ruimte biedend voor ieders taak; niet in elkaars vaarwater komen
- concrete duidelijkheid over financiële verhouding
- ieder heeft bestaansrecht, toekomstperspectief en recht op inkomensverwerving met de eigen taak
- ieder heeft vrijheid om de eigen taak verder te ontwikkelen
- ieder heeft vrijheid van elkaars kennis en kunde gebruik te maken; geen verplichtingen tot afname over en weer
- vertrouwen in elkaars positieve intenties jegens de doelgroep en elkaar
- erkenning van [de vennoten] als de grondleggers van MLB tbv de doelgroep en als oprichters van Stichting [bedrijf1]
- duidelijke en heldere afspraken.
(...)
Partijen willen hun onderlinge geschillen bij dading definitief beëindigen en verklaren daartoe het volgende te zijn overeengekomen:
1.
De ter gelegenheid van de overdracht van de onderneming [bedrijf1] overeengekomen “overeenkomst van recht en gebruik” wordt beëindigd met onmiddellijke ingang.
2.
De (overeenkomst tot het aangaan van een) v.o.f. [bedrijf1] tussen de Stichting [bedrijf1] en [de vennoten] wordt – voor zoveel nodig- beëindigd met onmiddellijke ingang. De naam [bedrijf1] zal uitsluitend door de Stichting worden gevoerd. [De vennoten] dragen -voor zoveel nodig- het uitsluitende recht op gebruik van deze naam over aan de Stichting. Eventuele inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel en andere tenaamstellingen, anders dan door de Stichting, worden daartoe doorgehaald of beëindigd.
3.
De huurovereenkomst kantoorruimte wordt geacht te zijn beëindigd op 1 oktober 2019. Partijen overleggen ter zake nader over -eventuele- voortzetting op een andere basis.
4.
De Stichting betaalt aan [de vennoten] een eenmalig bedrag van € 350.000,-- (zegge: driehonderd en vijftig duizend euro) binnen 30 dagen na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst op een door [de vennoten] aan te geven wijze en bankrekening.
(…)
11.
De stichting en [de vennoten] zijn van mening dat artikel 37d Wet op de omzetbelasting van toepassing is en doen een beroep op dit artikel.
12.
Indien de inspecteur van de Belastingdienst beslist dat 37d van de Wet op de omzetbelasting niet van toepassing is komen partijen overeen dat de koopsom€ 330.000,— (zegge: driehonderd en dertig duizend euro) is, te vermeerderen met btw en onder uitreiking van een factuur en wordt het totaalbedrag verminderd met de gedane betaling onder 4.
2.10.
VOF [bedrijf1] is met ingang van 1 april 2019 ontbonden.
2.11.
Met dagtekening 29 mei 2019 hebben de vennoten en Stichting [bedrijf1] gezamenlijk aan de Inspecteur de brief ‘Afstemming art. 37d Wet OB 1968’ gestuurd. Hierin staat – voor zover van belang – het volgende:
“(...) Om de continuïteit van de [bedrijf1] zorgverlening te borgen droeg [en de vennoten] de onderneming over aan de nieuw opgerichte Stichting [bedrijf1] , waarvan zij zelf bestuurder werden. In overleg met de Raad van Toezicht kwamen partijen een gespreide betaling van de koopsom overeen, hetgeen in een samenstel van overeenkomsten werd vastgelegd:
- ‘Afspraken overdracht [bedrijf3] ’;
- ‘Verklaring overname zorgactiviteiten’;
- ‘Overeenkomst van recht van gebruik’;
- ‘Huurovereenkomst kantoorruimte’.
Onder de overdracht waren begrepen alle [bedrijf3] (waaronder materialen, meubilair en apparatuur) en de zorgcontracten alsmede het recht van gebruik van het [bedrijf1] -concept en de software [naam5] . Een bedrag van € 12.500 werd direct betaald. Het restant van de overnamesom werd in termijnen verschuldigd door middel van een 10-jarige (deels omzetgerelateerde) vergoeding voor het gebruiksrecht van het [bedrijf1] -concept en [naam5] -software. De vergoedingen op jaarbasis varieerden over de periode 2014-2018 tussen € 70.000 en € 80.000. Aanvankelijk werd in overleg met de fiscus over deze vergoedingen geen BTW gerekend, omdat een fiscale eenheid BTW tussen V.O.F. en stichting werd verondersteld. Na enig beraad oordeelde u in april 2016 echter dat de onderlinge financiële verwevenheid onvoldoende was voor het aanmerken van een fiscale eenheid (zie bijgaande mailwisseling). Vanaf april 2016 is door de V.O.F. over de vergoeding BTW in rekening gebracht en afgedragen, naar onze mening ten onrechte, hetgeen we hierna zullen toelichten. De V.O.F. en Stichting hebben het overleg met u over de BTW aspecten niet voortgezet. De stichting heeft de in rekening gebrachte BTW niet in aftrek gebracht (geen aftrekrecht).
Na de overdracht lag de uitvoering van de zorg bij Stichting [bedrijf1] . [De vennoten] had[den] de intentie om afstand te nemen van de primaire zorgverlening en zich te richten op verdere ontwikkeling en onderzoek op het gebied van Mediërende Levensloopbegeleiding. In de praktijk is dit anders gelopen. Het kostte de stichting moeite geschikte bestuurders te vinden, waardoor de [vennoten] in eerste instantie noodgedwongen als onbezoldigd bestuurder aanbleven. Hierdoor ontstond onduidelijkheid over de afgesproken taakverdeling. Gaandeweg ontstonden spanningen en in een later stadium werden de eerdere afspraken en de overeengekomen vergoeding voor het gebruiksrecht door leden van de Raad van Toezicht en nieuwe bestuurders bekritiseerd. Daarbij ontstond ook verschil van mening over de waarde van de overgedragen onderneming.
Vanwege de verslechterde onderlinge verhoudingen werd in 2018 een mediation-traject gestart om de geschillen te beslechten. Al snel werd duidelijk dat het wederzijds vertrouwen ontbrak om de bestaande afspraken te continueren. In maart 2019 bereikten [de vennoten] en Stichting [bedrijf1] overeenstemming over de afkoop van de periodieke vergoeding voor het gebruiksrecht en een eenmalige slotbetaling van € 350.000 door Stichting [bedrijf1] ter zake de overdracht. De vaststellingsovereenkomst die in dit kader werd gesloten is bijgevoegd.
Verzoek standpuntbepaling
De vergoedingen uit hoofde van zowel de vaststellingsovereenkomst als de overeenkomst van recht van gebruik hebben in feite betrekking op de gefaseerde betaling van de koopsom wegens overdracht van de onderneming [bedrijf1] . Dit wordt bevestigd door de heer [naam7] van advieskantoor [bedrijf2] die destijds de overdracht begeleidde (bijgesloten zijn toelichting op de overdracht ten behoeve van het mediation-traject).
Wij zijn derhalve van mening dat op deze vergoedingen artikel 37d Wet OB 1968 van toepassing is. Partijen willen graag zekerheid op dit punt. Wilt u bevestigen dat in deze sprake is van een overgang van een algemeenheid van goederen? Tevens verzoeken wij u om teruggaaf van de afgedragen BTW over de ontvangen vergoeding in 2016, 2017 en 2018.”
Als bijlage bij het verzoek is onder andere een e-mail gevoegd die op 15 november 2018 door [naam7] , de voormalig adviseur van de [vennoten], is verstuurd. De tekst van deze e-mail luidt – voor zover van belang – als volgt:

Aan de herstructurering die met ingang van 1 oktober 2014 heeft plaatsgevonden, lagen onder meer de volgende uitgangspunten ten grondslag:
 De vraag naar de dienstverlening van [bedrijf1] stijgt;
 Het concept [bedrijf1] heeft de potentie nationaal te kunnen worden uitgerold;
 De huidige structuur voldoet gezien de groei en de ontwikkelingen in het veld niet meer;
 Er moet een gezond ondernemingsmodel komen, waarbij de [vennoten] belangrijke zeggenschap zullen krijgen alsmede een compensatie voor hun inzet in de afgelopen jaren.
In nauw overleg met de [vennoten], [ [naam6] ] (in haar rol van bestuurder van de opgerichte stichting) en later eveneens met de Raad van Toezicht van de op te richten stichting is de nieuwe structuur neergezet.
Veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden over de allocatie van activiteiten en personeel in verschillende entiteiten, alsmede over de verdeling van kosten en opbrengsten. De tegenprestatie van de stichting voor het mede exploiteren van het concept [bedrijf1] , zowel in de eigen stichting als in de VOF, speelde daarbij een belangrijke rol. Er is een formule bedacht waarbij beoogd is om de [vennoten] zakelijk te belonen voor hun werkzaamheden in de nieuwe structuur, voor het ter beschikking stellen dan wel overdragen van [bedrijf3] en voor hun inspanningen in het kader van de doorontwikkeling en uitrol van het succesvolle concept.
De feitelijke zorgwerkzaamheden in [plaats1] zijn door de VOF [bedrijf1] overgedragen aan de stichting. Het concept [naam5] is in de VOF [bedrijf1] achtergebleven. De stichting is medevennoot geworden in de VOF.
Zodoende zijn de activiteiten, de zorgverlening in [plaats1] en (de uitrol van) het concept gescheiden en in verschillende entiteiten ondergebracht.
In VOF [bedrijf1] konden specifieke afspraken worden gemaakt over de verdeling van de werkzaamheden en het verwachte resultaat met betrekking tot het concept [naam5] .
De stichting was een tegenprestatie verschuldigd voor overdracht van het gebruiksrecht van het concept [naam5] . Een tegenprestatie in de vorm van een bedrag ineens werd voor de stichting als een te zware last ervaren. De stichting zou het moeten kunnen financieren, bovendien werd starten met zo’n grote last als risicovol ervaren.
De gekozen oplossing komt er feitelijk op neer dat de [vennoten] de overdracht van het gebruiksrecht aan de stichting hebben voorgefinancierd en het risico hebben genomen dat zij de waarde van hetgeen werd overgedragen niet of niet geheel zouden ontvangen.
De tegenprestatie heeft concreet vorm gekregen in voor de Stichting overzichtelijke percentages van de omzet, te voldoen aan de VOF, gedurende tien jaar.
De afgesproken percentages zijn in overleg tussen verschillende betrokkenen, waarbij gekeken is naar financiële haalbaarheid, tot stand gekomen. In de percentages is verdisconteerd dat dit een soepele regeling is voor de stichting, dat de [vennoten] niet per direct over een verkoopsom konden beschikken, dat de tegenprestatie resultaatafhankelijk is gemaakt, en dat de [vennoten] financieel risico lopen.
De VOF genereert hiermee een inkomstenstroom die geheel toekomt aan de [vennoten]. Om de VOF van inkomsten te voorzien, is tevens overeengekomen dat de stichting in beginsel € 10.000 bijdraagt aan het vormgeven van het ambassadeurschap en de doorontwikkeling van het concept [naam5] . Hierbij is uitgegaan van een investering van 120 uur op jaarbasis. Naarmate de uitrol van het concept zou vorderen, zou de VOF meer eigen inkomsten genereren. Het resultaat van het exploiteren en uitrollen van het concept [naam5] komt in de constructie voor 51% toe aan de stichting.
In de VOF-overeenkomst is vastgelegd dat vóór winstverdeling aan een vennoot een arbeidsbeloning kan worden toegekend. Hiermee is ruimte gecreëerd de [vennoten] een arbeidsbeloning toe te kennen ingeval zij meer tijd en energie steken in de activiteit van de VOF dan de stichting.
Al met al is hiermee een flexibele constructie neergezet, waarin de zorgactiviteiten van de uitrol van het concept [naam5] zijn gescheiden; waarbij beoogd is om de [vennoten] een zakelijke vergoeding te laten ontvangen voor hetgeen zij verhuren, ter beschikking stellen en overdragen; waarbij de stichting de kans heeft gekregen zonder zware lasten op te starten doordat de heer en mevrouw [naam1] akkoord zijn gegaan met een resultaatsafhankelijke betaling voor het concept [naam5] en bereid zijn geweest het risico van een gespreide betaling te aanvaarden.”
2.12.
Bij brief van 29 augustus 2019 heeft de Inspecteur gereageerd op het verzoek om afstemming. Deze reactie luidt – voor zover van belang – als volgt:

Beoordeling van uw verzoek
V.o.f. [bedrijf1] en Stichting [bedrijf1] hebben de afspraken met betrekking tot de overdracht van [bedrijf3] opgenomen in de overeenkomst Afspraken overdracht [bedrijf3] . Daarnaast hebben zij een overeenkomst van recht van gebruik afgesloten met betrekking tot het [naam5] concept.
Uit de afgesloten overeenkomst Afspraken Overdracht [bedrijf3] blijkt dat de [naam11] en software niet wordt overgedragen. Uit de overeenkomst van het recht van gebruik volgt dat v.o.f. [bedrijf1] het recht van gebruik van het concept [bedrijf1] en de software [naam5] verleent aan Stichting [bedrijf1] . Voor het recht van gebruik van het concept en de software betaalt de Stichting o.a. een jaarlijkse omzetafhankelijke vergoeding.
Standpunt
Aangezien [naam11] en [bedrijf1] - software met de ontwikkelde Mijn [bedrijf1] -formule geen deel heeft uitgemaakt van de overdracht en een separate overeenkomst met betrekking tot het gebruik van de ontwikkelde concept [bedrijf1] en de software [naam5] (na de overdracht) is afgesloten, waarbij de v.o.f. het gebruiksrecht hiervan verleent, kan thans niet worden gesteld dat de afkoop van deze overeenkomst deel heeft uitgemaakt van de oorspronkelijke overdracht.
Het verlenen van het gebruiksrecht van het concept en de software heeft separaat/naast de overdracht plaatsgevonden en valt daarmee buiten (het toepassingsbereik van) 37d van de Wet OB 1968, De verrichte betalingen uit deze overeenkomst (inclusief afkoop) zijn toe te rekenen aan deze gebruiksovereenkomst en niet toe te rekenen aan (enig onderdeel van) de overdracht. De huidige afkoop van deze overeenkomst valt daarmee eveneens buiten de overdracht en het toepassingsbereik waarop artikel 37d Wet OB.
De betalingen/afkoop hebben derhalve geen betrekking op een (eenmalige) overdracht van [naam11] of het gebruiksrecht, nu deze expliciet zijn uitgezonderd van de (eerdere) overdracht.
2.13.
Op 21 oktober 2019 heeft belanghebbende de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 ingediend. De aangegeven omzet bedraagt het op grond van de VSO overeengekomen bedrag van € 330.000 (zie 2.9). Op 1 november 2019 heeft belanghebbende de daarover verschuldigde omzetbelasting van € 69.300 betaald.
2.14.
Belanghebbende heeft bij het beroepschrift onder meer een brief gevoegd die [naam12] (hierna: De Vries) in het kader van het in te zetten mediation traject tussen VOF [bedrijf1] en Stichting [bedrijf1] namens de Raad van Toezicht van Stichting [bedrijf1] aan het bestuur van Stichting [bedrijf1] heeft verstuurd. De tekst van deze brief luidt – voor zover van belang – als volgt:
“(...) [bedrijf1] is een door de overheid erkende zorgorganisatie. Het aanbod van [bedrijf1] valt binnen de categorie specialistische begeleiding, zoals benoemd in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Als RvT hebben wij ervoor te waken dat [bedrijf1] als Organisatie haar verplichtingen nakomt, zich aan de wet en regelgeving houdt binnen de grenzen van het zorgstelsel. Daarbij moet er verantwoord en doelmatig worden omgegaan met publieke (zorg)gelden, aan [bedrijf1] ter beschikking gesteld voor de hulp aan kinderen uit de doelgroep van [bedrijf1] . In beginsel geldt er daarbij een winstuitkeringsverbod (artikel 2:285 lid 3 BW), hetgeen meebrengt dat de stichting haar winst alleen mag aanwenden ter verwezenlijking van het in de statuten bepaalde doel. Dit verbod strookt met art. 5 lid 2 van de Wet Toelating zorginstellingen (Wtzi).
Als RvT hebben wij daarom besloten dat ook betalingen aan [de vennoten], die uiteindelijk ten laste komen van die aan [bedrijf1] ter beschikking gestelde publieke gelden, altijd door ons verantwoord moeten kunnen worden in het licht van de doelstelling van [bedrijf1] .
En dat geldt ook als die betalingen plaatsvinden op basis van eerder tussen de stichting en (de v.o.f. van) [de vennoten] gesloten overeenkomsten. Ook die betalingen moeten in een redelijke verhouding blijven staan tot de waarde van de tegenprestatie, te leveren door [de vennoten].
Verder kan de RvT de bedoelde Overeenkomst van Recht van Gebruik (gebruiksovereenkomst), inclusief de vergoeding voor het ambassadeurschap, niet los zien van de onderhandelingen die wij nog met [de vennoten] voeren over het bedrag dat de stichting nog aan hen verschuldigd is voor de gehele overname van de onderneming [bedrijf1] per 1 oktober 2014.
Het uiteindelijk totaal aan [de vennoten] te betalen bedrag moet min of meer gelijk zijn aan de waarde van [bedrijf1] (oud) medio 2014, of de betalingen nu plaats vinden op basis van de gebruiksovereenkomst of op basis van een nadere overeenkomst met [de vennoten], waarbij een eindafrekening met de stichting wordt overeengekomen als sluitstuk van de ontvlechting.
Van de zijde van [de vennoten] is de RvT steeds voorgehouden dat de hoogte van de gebruiksvergoeding in overeenstemming was met de waarde van [bedrijf1] per medio 2014, de aanvang van de vervlechting. Die waarde van [bedrijf1] toen en dus ook de hoogte van de gebruiksvergoeding zou bepaald zijn door het accountantskantoor [bedrijf2] , aan welk kantoor [naam13] , van later “ [bedrijf4] ”, toen nog verbonden was. Van een accountantskantoor mag verwacht worden dat zij rekening houden met alle betrokken gerechtvaardigde belangen.

3.Geschil

In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de door haar betaalde omzetbelasting van € 69.300 over het derde kwartaal van 2019. Het geschil spitst zich toe op de vraag of artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) van toepassing is op de door belanghebbende van Stichting [bedrijf1] ontvangen vergoeding uit hoofde van de VSO. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Uit de feiten volgt dat bij de in 2014 gesloten overeenkomsten VOF [bedrijf1] partij was, dat de VSO in 2019 is gesloten tussen Stichting [bedrijf1] en de vennoten en dat de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 is ingediend en voldaan door belanghebbende. Ter zitting bij de Rechtbank hebben partijen verklaard dat voor onderhavig fiscaal geschil uit praktische overwegingen belanghebbende, VOF [bedrijf1] en de vennoten met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. De fiscale gevolgen van dit geschil worden met instemming van beide partijen uitsluitend afgewikkeld in de verhouding met belanghebbende (zijnde de procederende partij in dit geschil).
4.2.
De Inspecteur stelt – kort gezegd – dat de op grond van de VSO betaalde vergoeding een afkoopsom betreft voor het afzien van het recht op (deel)betalingen voor het recht van gebruik van het concept [bedrijf1] en de software [naam5] . Volgens de Inspecteur maakt de transactie in 2019 geen deel uit van de oorspronkelijke overdracht van de onderneming in 2014, hetgeen hij onder meer afleidt uit de tekst van de [bedrijf3] -overeenkomst, waarin zowel de [naam11] als de software expliciet zijn uitgesloten, en uit het feit dat voor het recht van gebruik van het concept [bedrijf1] en met betrekking tot de software [naam5] een aparte gebruiksovereenkomst is gesloten. De Inspecteur is van mening dat de op grond van de gebruiksovereenkomst ontvangen vergoedingen een doorlopende prestatie betreft die losstaat van de overdracht van de onderneming in 2014. Volgens de Inspecteur is sprake van het afzien van de periodieke gebruiksvergoeding en bij de VSO in 2019 van een nieuwe, met btw belaste dienst, waarop artikel 37d van de Wet OB niet van toepassing is.
4.3.
Belanghebbende voert– samengevat – aan dat de vergoeding op grond van de in 2019 gesloten VSO de slottermijn was voor de overdracht van de onderneming in 2014. De op 29 september 2014 gesloten overeenkomsten vormen volgens haar een samenstel van afspraken omtrent de gespreide betaling voor de overdracht van de, tot dan toe door VOF [bedrijf1] gedreven, onderneming aan Stichting [bedrijf1] . De gebruiksovereenkomst had tot doel om het restant van de overnamesom in gespreide termijnen te betalen, omdat dit voordeliger was voor de vennoten en betaling van het hele bedrag ineens niet mogelijk was voor de stichting. Al direct vanaf 1 oktober 2014 heeft Stichting [bedrijf1] volledig de plaats van eigenaar van de onderneming overgenomen van VOF [bedrijf1] . In de jaren hierna is onenigheid ontstaan, onder meer over de waarde van de onderneming, waarna VOF [bedrijf1] en Stichting [bedrijf1] een mediationtraject zijn aangegaan. De VSO in 2019 is de uitkomst van dit traject en het overeengekomen bedrag van € 330.000 is de eindafrekening voor de overdracht van de gehele onderneming, zo stelt belanghebbende.
4.4.
Nederland heeft met artikel 37d van de Wet OB gebruikgemaakt van de in de artikelen 19 en 29 van de BTW-richtlijn 2006 neergelegde mogelijkheid dat bij overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, voor de heffing van omzetbelasting geen levering van goederen of diensten geacht worden te hebben plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager. Onder een overgang van een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 37d van de Wet OB moet worden verstaan de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, waarbij de verkrijger de bedoeling moet hebben om de aldus overgedragen handelszaak of bedrijfsonderdeel te exploiteren. Van een overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel is slechts dan sprake, indien het geheel van overgedragen onderdelen volstaat om een autonome economische activiteit te kunnen voortzetten. Of dit zo is, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de aard van de betrokken economische activiteit.
4.5.
De Rechtbank heeft het aannemelijk geacht dat de betaling op grond van de in 2019 gesloten VSO ziet op de overdracht van (een autonoom bedrijfsonderdeel van) de onderneming in 2014 en in feite (mede) de tegenprestatie vormt voor deze in 2014 plaatsgevonden overgang (van een geheel of een gedeelte) van een algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 37d van de Wet OB.
4.6.
Het Hof komt tot een ander oordeel en acht het niet aannemelijk dat de vergoeding die in 2019 is overeengekomen is betaald voor onderdelen van de onderneming die in 2014 (feitelijk) reeds waren overgedragen aan Stichting [bedrijf1] . Het Hof komt tot dit oordeel op grond van de volgende feiten en omstandigheden.
4.7.
In de [bedrijf3] -overeenkomst is overeengekomen dat de onderneming wordt verkocht exclusief [naam11] en software (zie 2.5). Eigendomsrechten met betrekking tot software kunnen alleen schriftelijk, bij akte, worden overgedragen (artikel 2, lid 3 Auteurswet). Voor zover belanghebbende bedoelt dat de economische eigendom met betrekking tot de software in 2014 reeds was overgedragen, geldt het volgende. Tussen beide partijen (belanghebbende en Stichting [bedrijf1] ) bestond de expliciete wens niet de gehele onderneming over te dragen en deze elementen van de overdracht in 2014 uit te sluiten. De redenen hiervoor waren van belastingtechnische aard; Stichting [bedrijf1] had onvoldoende liquiditeit om de gehele onderneming in 2014 aan te schaffen en VOF [bedrijf1] /de vennoten hadden niet de middelen om de alsdan verschuldigde belasting te voldoen. Beide partijen hadden derhalve in 2014 expliciet de bedoeling om niet de [naam11] en de software over te (laten) dragen en beide partijen waren zich er in 2014 ook van bewust dat deze [bedrijf3] daadwerkelijk niet overgedragen werden.
4.8.
Partijen hebben zich er ook naar gedragen dat de software en de [naam11] niet werden overgedragen. Tussen partijen is een aparte gebruiksovereenkomst gesloten met betrekking tot het gebruik van de software door Stichting [bedrijf1] voor een periode van tien jaar (zie 2.6). In deze overeenkomst is afgesproken dat Stichting [bedrijf1] voor het gebruik van de software een omzetafhankelijke vergoeding verschuldigd is. Ook is afgesproken dat de vennoten de software verder zouden ontwikkelen en dat hiervoor een maandelijkse vergoeding voor “de kosten doorontwikkeling” verschuldigd is. De op grond van de gebruiksovereenkomst verschuldigde vergoedingen zijn daadwerkelijk betaald aan VOF [bedrijf1] en hierover is door VOF [bedrijf1] op aangifte omzetbelasting voldaan. Belanghebbende heeft de software als activum gehandhaafd op haar balans en daarop afgeschreven. De vennoten hebben met betrekking tot de inkomstenbelasting geen stakingswinst aangegeven in 2014.
4.9.
Noch hetgeen partijen in de VSO hebben opgenomen, noch de brief van [naam10] (zie onderdeel 2.14.) brengen het Hof tot een ander oordeel, omdat een latere uitleg omtrent de bedoeling van partijen van onvoldoende gewicht is om af te doen aan hetgeen stellig en ondubbelzinnig eerder schriftelijk tussen die partijen overeen is gekomen en op grond waarvan nadien door beide partijen handelingen zijn verricht die niet corresponderen met deze latere uitleg. De kracht van de verklaringen van de partijen bij de VSO omtrent de bedoelingen van die partijen in 2014 neemt naar het oordeel van het Hof verder af, omdat – zoals blijkt uit de VSO – alle partijen zich bij het sluiten van de VSO bewust waren van het gezamenlijke financiële belang bij een geslaagd beroep op artikel 37d van de Wet OB en derhalve eveneens een gezamenlijk belang erbij hadden de bedoeling van partijen in 2014 te schetsen zoals zij hebben gedaan.
4.10.
Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat de overdracht in 2019 van de [naam11] en het eigendomsrecht van de software voor de toepassing van artikel 37d van de Wet OB heeft te gelden als de overdracht van een autonoom bedrijfsonderdeel. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet, nu enkel de [naam11] en de eigendom van de software geen autonoom bedrijfsonderdeel vormen. Het Hof betrekt bij dit oordeel dat belanghebbende ter zitting bij het Hof heeft gesteld dat het financiële belang van de onderneming vooral zat in de AWBZ-contracten, welke reeds in 2014 waren overgegaan naar Stichting [bedrijf1] .
4.11.
Uitgaande van hetgeen hierboven is overwogen, is verder niet in geschil dat de Inspecteur het verzoek om teruggave van omzetbelasting met betrekking tot het derde kwartaal 2019 terecht heeft geweigerd.
Redelijke termijn
4.12.
Belanghebbende heeft op 23 juni 2023 hoger beroep ingesteld. Sindsdien is de redelijke termijn van twee jaar om in hoger beroep uitspraak te doen met minder dan 6 maanden overschreden. Het Hof zal in verband hiermee aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade toekennen van € 500.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu aan belanghebbende door de Rechtbank voor de fase van eerste aanleg een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegekend en het Hof een dergelijke vergoeding voor de hogerberoepsfase toekent, is er aanleiding het griffierecht in beroep aan belanghebbende te laten vergoeden (zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567) en een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep. Omdat de overschrijding in eerste aanleg zowel aan de Inspecteur als aan de rechter is toe te rekenen, dient om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid in beroep te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen (de Inspecteur en de Minister) de helft betaalt (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Voor de hogerberoepsfase bestaat aanleiding de Minister te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep.
5.2.
Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 226,75 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt voor het beroepschrift (zie ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771) x wegingsfactor 0,25 x € 907) en € 246,75 voor de kosten in hoger beroep (2 x € 10 reiskosten in verband met de zitting bij het Hof, vermeerderd met 1 punt (ter zitting gedaan verzoek om vergoeding van immateriële schade) x wegingsfactor 0,25 x € 907), ofwel in totaal op € 473,50. Het Hof zal de Inspecteur in de proceskosten veroordelen tot een bedrag van € 113,38 en de Minister tot een bedrag van € 360,12 (€ 113,37 + € 226,75 + € 20).

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond,
– veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 500,
– veroordeelt de Minister in de proceskosten van belanghebbende inzake het beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 360,12,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende inzake het beroep tot een bedrag van € 113,38,
– gelast dat de Minister aan belanghebbende de helft van het in beroep betaalde griffierecht van € 360 vergoedt, ofwel € 180,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende de helft van het in beroep betaalde griffierecht van € 360 vergoedt, ofwel € 180.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.