ECLI:NL:GHARL:2025:7411

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
200.349.819/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van een tussenpersoon voor de weigering van een verzekeraar om diefstalschade te vergoeden

In deze zaak gaat het om de aansprakelijkheid van een tussenpersoon, [appellant] B.V., voor de weigering van de verzekeraar, ASR, om diefstalschade te vergoeden aan [geintimeerde]. De diefstal van een wiellader, die niet onder de dekking van de verzekering viel, leidde tot een geschil tussen partijen. [geintimeerde] verwijt [appellant] dat hij onjuist is geïnformeerd over de dekking van de verzekering. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van € 29.750 aan [geintimeerde]. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld, maar het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelt dat de clausule in de verzekering duidelijk was en dat [geintimeerde] op de hoogte was van de voorwaarden. De getuigenverklaringen ondersteunen de stelling dat [appellant] niet correct heeft geadviseerd over de dekking. Het hof concludeert dat de aansprakelijkheid van [appellant] blijft staan en dat de schadevergoeding terecht is toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.349.819/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 311346
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
[appellant] B.V.,
die is gevestigd in [vestigingsplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers te Rotterdam,
tegen
[geintimeerde] , h.o.d.n. [geintimeerde],
die woont in [woonplaats1] ,
en bij de rechtbank optrad als eiser,
hierna:
[geintimeerde],
advocaat: mr. G.J. de Jongste te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Na de dagvaarding in hoger beroep en nadat [appellant] een memorie van grieven had genomen, gevolgd door een memorie van antwoord van [geintimeerde] , heeft op 25 september 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of tussenpersoon [appellant] aansprakelijk is voor de weigering van de verzekeraar van [geintimeerde] om diefstalschade te betalen. De diefstal valt niet onder de dekking, en [geintimeerde] verwijt [appellant] dat deze hem daarover in de persoon van wijlen [naam1] onjuist heeft geïnformeerd. Dat geschil heeft de volgende achtergrond.
2.2
[geintimeerde] heeft een montage-, leverings- en onderhoudsbedrijf aan de [adres1] 33 in [woonplaats1] . Sinds 2015 heeft hij in die plaats ook een perceel aan de [adres2] in eigendom.
2.3
Door bemiddeling van assurantietussenpersoon [appellant] heeft [geintimeerde] in 2015 bij ASR een schadeverzekering voor landmateriaal afgesloten. Onder die polis was een wiellader verzekerd die [geintimeerde] in 2008 voor € 34.300 exclusief btw had gekocht. De verzekerde som bedroeg € 30.000. De polis van deze verzekering bevat de navolgende clausule.
Na de dagelijkse werkzaamheden moet u de verzekerde zaak in een afgesloten container plaatsen. Wij bieden alleen dekking voor schade door diefstal na sporen van braak aan het afgesloten pand of afgesloten container waarin de verzekerde zaak zich bevindt.
2.4
De contacten tussen partijen verliepen indertijd via wijlen de heer [naam1] , die op 17 maart 2019 is overleden. Daarna heeft [naam2] het relatiebeheer overgenomen. De wiellader is op 7 maart 2021 gestolen vanaf het bedrijfsterrein van [geintimeerde] aan de [adres2] . [geintimeerde] heeft aangifte gedaan van de diefstal en de schade is bij [appellant] gemeld.
2.5
Op 13 april 2021 heeft Dekra Experts in opdracht van ASR de schade op basis van de dagwaarde vastgesteld op € 22.500 exclusief btw. Omdat [geintimeerde] zich met deze taxatie niet kon verenigen, heeft hij [naam6] om een contra-expertise gevraagd. Op 7 juli 2021 heeft [naam6] de waarde van de wiellader op basis van de dagwaarde/ vervangingswaarde vastgesteld op € 33.500 exclusief btw.
2.6
Op 11 augustus 2021 is [geintimeerde] meegedeeld dat deze schade niet onder de dekking valt omdat de wiellader vanaf het terrein is gestolen, en niet in een afgesloten pand of container stond.
2.7
De afwijzing was voor [geintimeerde] aanleiding om [appellant] aansprakelijk te stellen. Nadat die aansprakelijkheid was afgewezen, zijn op verzoek van [geintimeerde] door de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, vijf getuigen gehoord in het kader van een voorlopig getuigenverhoor. Drie van deze verklaringen worden hierna deels geciteerd.
2.8
[geintimeerde] heeft als getuige het volgende verklaard:
Wij waren destijds nog via EVIAS verzekerd. Maar wij wilden graag dat alle verzekeringen bij één partij werden ondergebracht. Dat was het kantoor [appellant] . Meneer [naam1] kwam geregeld in de regio en is in die periode ook aan de [adres2] geweest.
In 2015 hebben wij een offerte voor de verschillende polissen gekregen.
(…)
Bij het bespreken van de eerste offerte is ter sprake gekomen dat het werkmaterieel bij externe werklocaties zou blijven staan en ook dan verzekerd zou moeten zijn. Toen is de bijzondere clausule ter sprake gekomen. Wij hebben toen gesproken over het achtergelaten materieel op een afgesloten terrein.
In de loop van de jaren werd de locatie aan de [adres2] steeds meer in gebruik genomen. Er was meer ruimte nodig en daarom kwam de wiellader ook buiten te staan. Dit was begin
2016.
(…)
Tot 2019 heeft de wiellader wanneer deze op de locatie aan de [adres2] stond, zoveel
mogelijk opgeslagen gestaan in de koelruimte.
(…)
Op een gegeven moment is ter sprake gekomen hoe wij ervoor gingen zorgen dat de poort dicht zou blijven. We hebben op dat moment de poort aangepast met een belmodule. Dat was makkelijker en zo wisten we zeker dat de poort iedere keer automatisch gesloten zou worden. We hadden dus meer zekerheid dat de poort dicht zat en er dus een afgesloten terrein was. [naam1] heeft toen verteld dat het opslaan op een afgesloten terrein goed was, maar dat het erop aankwam hoe wij zouden kunnen aantonen dat het terrein ook daadwerkelijk afgesloten was. Daarmee bedoelde [naam1] dat het voor de dekking onder de verzekering geen probleem opleverde. Dat was dus de reden van het aanbrengen van de belmodule op de poort. Wij hebben er niet over gesproken dat de wiellader per se binnen moest staan.
(…)
Toen wij de schade hebben gemeld heeft hij gezegd dat opslag op een afgesloten terrein voldoende was voor dekking onder de verzekering. Als ik had geweten dat de wiellader binnen had moeten staan, dan had ik dat gedaan.
(…)
Tot 2019 heeft de wiellader zoveel mogelijk in de koelruimte opgeslagen gestaan. Tenzij we deze voor werkzaamheden buiten nodig hadden, stond de lader buiten. Vanaf 2019 is deze koelruimte verhuurd geweest, maar zouden wij de wiellader ook nog op een andere locatie
binnen hebben kunnen opslaan.
2.9
Getuige [naam3] , echtgenote van [geintimeerde] , heeft verklaard:
De landmateriaalpolis is met de heer [naam1] besproken. De wiellader stond eerst in de schuur aan de [adres1] . Omdat wij in 2015 de [adres2] hebben gekocht is de vraag gesteld of de wiellader daar op een afgesloten terrein mocht staan. [naam1] heeft toen gezegd dat dat goed was en dat er dan ook dekking onder de verzekering zou zijn. (…)
De [adres2] betreft een bedrijfsterrein en daar zou de wiellader niet altijd binnen staan. Daarom hebben wij gevraagd of het goed was als de wiellader ook buiten zou staan.
Ten tijde van de diefstal hebben zowel [naam2] als [naam4] aangegeven dat er dekking zou zijn zolang de wiellader op een afgesloten terrein heeft gestaan.
(…)
Ik denk dat in 2015 al is gesproken over het opslaan buiten op een afgesloten terrein. (…) Ik heb die vraag gesteld in verband met de tekst van de clausule. Ik twijfelde en heb daarom navraag gedaan bij [naam1] . Het antwoord van [naam1] was dat ook bij opslag op een afgesloten terrein er dekking onder de verzekering zou zijn.
Begin 2016 is mijn man ook bij de gesprekken aanwezig geweest. Dat gesprek vond plaats aan de [adres2] . Onder andere was er discussie over een schade aan een heftruck. Dat gesprek vond plaat in de kantine en één van onze huurder, [naam5] , is daarbij aanwezig geweest. Eén van de werknemers van [naam5] was namelijk betrokken bij de schade aan de heftruck.
Voor 2019 heeft de wiellader veelal binnen gestaan en soms, als dat nodig was, ook buiten. Aan het eind van 2019 werd de wiellader veelal buiten gezet omdat de koelruimte waarin deze daarvoor stond in gebruik werd genomen en werd verhuurd.
(…)
[naam1] kwam diverse keren per jaar langs op het terrein aan de [adres2] . Hij was bekend met de situatie daar. Ook heeft hij gezien dat de wiellader buiten heeft gestaan. In het kader van de clausule heeft [naam1] mij bevestigd dat er ook dekking zou zijn als de wiellader buiten, maar op een afgesloten terrein zou staan.
2.1
Getuige [naam5] heeft verklaard:
Ik ben de eigenaar van Petfood Factory B.V.
(…)
[naam1] was mijn contactpersoon. Vanaf april of mei 2015 huurt de B.V.
bedrijfsruimte aan de [adres2] .
(…)
[naam1] kende de situatie op die locatie. In de kantine (…)werden dan gesprekken gevoerd over de verzekeringen met [naam1] . Ook hebben er gezamenlijke gesprekken plaatsgevonden met mij en de heer en [naam3] . Met name hebben we toen gesproken over een heftruck-schade. Dat gesprek vond plaats in januari 2016. Daarnaast spraken wij tijdens die bespreking over het buitenterrein. De poort aan de [adres3] was toen nog voorzien van een hangslot. Dat slot werd 's ochtends eraf gehaald en aan het eind van de dag werd de poort weer met dat hangslot gesloten. In die periode stond de wiellader net als mijn bus veelal buiten. Zo is dat toen besproken met [naam1] . [naam1] heeft toen (tijdens het gesprek in januari 2016) aangegeven dat de poort overdag dicht moest zijn om te kunnen spreken van een afgesloten terrein. Daarna is de GSM-module aangebracht.
Het terrein is en groot terrein waar meer materiaal buiten staat. Het was dan ook voor de verzekeringsdekking nodig dat het terrein afgesloten werd.
2.11
Mede op grond van deze verklaringen heeft de rechtbank uitgesproken (‘voor recht verklaard’) dat [appellant] tegenover [geintimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en uit de wet op haar rustende verplichtingen, en om die reden aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade van [geintimeerde] . [appellant] is op die grond veroordeeld om aan [geintimeerde] € 29.750 te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat alsnog een algehele afwijzing van de vordering van [geintimeerde] volgt.

3.Het oordeel van het hof

Inleiding
3.1
Het hof zal oordelen dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. De veroordeling blijft dus in stand. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld.
De zorgplichtschending
3.2
Volgens de rechtbank heeft [geintimeerde] bewezen dat [naam1] ondubbelzinnig heeft bevestigd dat de wiellader ook verzekerd zou zijn tegen diefstal als deze op een afgesloten terrein werd gestald. [appellant] acht dat niet juist en heeft het volgende aangevoerd.
De clausule laat geen ruimte voor interpretatie. Die bepaling is ook logisch, omdat een afgesloten terrein zich in het zichtveld bevindt en gemakkelijker is te benaderen dan een afgesloten ruimte. Het forceren van een toegangspoort tot het terrein is bovendien van een andere orde dan het openbreken van een pand of container. Het is om die reden onaannemelijk dat [naam1] ondubbelzinnig heeft bevestigd dat de wiellader op een afgesloten terrein toch verzekerd zou zijn. Uit de geciteerde verklaringen blijkt dat ook niet. [naam1] wist wel dat de wiellader buiten werd gebruikt, maar uit niets blijkt dat hij er ook van op de hoogte was dat deze na gebruik soms buiten werd gestald. Voor zoveel hij wist, was het gebruikelijk de wiellader in de koellocatie aan de [adres2] op te slaan. Pas aan het eind van 2019 was dat niet meer mogelijk, omdat die ruimte vanaf dat moment werd verhuurd. Toen was [naam1] echter al overleden. Niet is gesteld of gebleken dat en waarom er aanleiding toe bestond om kort na de overgang van de verzekeringen over het buiten stallen te beginnen. Het was op dat moment immers mogelijk de wiellader binnen in een koelruimte op te slaan.
3.3
Wat getuige [naam5] betreft: het gesprek met hem ging over schade aan een heftruck. Uit de verklaring van die getuige kan alleen worden afgeleid dat hij zich na al die jaren nog iets kan herinneren over het belang van het afsluiten van een poort. Volgens hem zou [naam1] hebben gezegd dat het hek overdag ook gesloten moest zijn. Dat impliceert echter geenszins dat de wiellader na werktijd en gedurende de nacht buiten mocht blijven staan. Dat was ook niet nodig, hij kon binnen worden opgeslagen.
3.4
Het hof volgt [appellant] hierin niet, op grond van de overwegingen die de rechtbank daaraan al heeft geweid. Ter toelichting voegt het hof daar het volgende aan toe.
3.5
Er kan in redelijkheid geen discussie bestaan over de tekstuele uitleg die aan de clausule moet worden gegeven: uitkering is uitgesloten als de wiellader alleen op een afgesloten terrein staat. [geintimeerde] was daar naar eigen zeggen ook mee bekend. Ter zitting bij de rechtbank verklaarde hij immers te hebben geweten dat de bestaande situatie afweek van de clausule. De uitkering is om die reden terecht door ASR geweigerd. Dat sluit echter niet uit dat die clausule in een gesprek met [naam1] wel aan de orde is geweest, en dat hij ondubbelzinnig heeft meegedeeld dat die wiellader desondanks wel verzekerd zou zijn als die op een afgesloten terrein zou zijn gestald. [geintimeerde] en zijn vrouw zijn er als beëdigde getuigen stellig over dat zij die bevestiging bij en kort na het afsluiten van de verzekering en van [naam1] hebben gekregen en na de diefstal ook van [naam2] en [naam4] .
3.6
Dat deze mededeling inderdaad door [naam1] is gedaan, vindt steun in de verklaring van getuige [naam5] : in 2016 hadden zowel [naam5] als [geintimeerde] verzekerd materieel buiten staan. [naam1] heeft hen er toen op gewezen dat de poort overdag dicht moest zijn. Voor beide partijen was dat aanleiding om een automatisch slot op hun hek aan te brengen. Het hof maakt uit deze verklaringen op dat het gegeven dat materieel buiten werd gestald (ook ‘s nachts) aanleiding was tot het voeren van deze discussie.
3.7
Het mag dan zo zijn dat de wiellader tot 2019 wel zo veel mogelijk binnen heeft gestaan, zoals [appellant] aanvoert, dat betekent niet dat er geen aanleiding toe bestond de vraag te stellen of die verplichting op grond van de verzekering inderdaad bestond. Onjuist is in dat verband dat uit niets zou blijken dat [naam1] er niet van op de hoogte was dat de wiellader na gebruik soms wel buiten werd gestald. [naam3] heeft immers verklaard dat [naam1] diverse keren per jaar langskwam op het terrein aan de [adres2] en bekend was met de situatie daar. Volgens haar heeft hij ook gezien dat de wiellader buiten heeft gestaan. In de loop van de jaren werd de locatie aan de [adres2] steeds meer in gebruik genomen: er was meer ruimte nodig en daarom kwam de wiellader ook buiten te staan. Weliswaar werd de wiellader op de locatie aan de [adres2] volgens [geintimeerde] en zijn vrouw zoveel mogelijk in de koelruimte opgeslagen, maar [geintimeerde] heeft ook verklaard dat deze locatie in de loop van de jaren steeds meer in gebruik genomen en dat de wiellader daarom al vanaf begin 2016 ook buiten kwam te staan.
3.8
Het hof ziet geen tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen van [geintimeerde] en zijn vrouw.
3.9
Getuige [naam4] , die in de betreffende periode bij [appellant] lid was van de binnendienst, heeft een en ander niet bestreden. Volgens hem kwam [naam1] ongeveer iedere twee weken bij zijn klanten. [naam4] zegt ten tijde van de diefstal zelf te hebben meegekeken naar de beoordeling van de dekking onder de polis, en na de melding van de diefstal in de veronderstelling te hebben verkeerd dat wel sprake zou zijn van dekking onder de verzekering. Het is dan ook goed denkbaar dat hij dat na de diefstal ook aan [geintimeerde] heeft bevestigd, zoals [naam3] heeft verklaard.
3.1
De broer van [naam1] , [naam2] , heeft verklaard dat de afdeling schadebehandeling de melding en de doormelding aan de verzekeraar in behandeling heeft genomen. Hij zegt daar zelf niet bij betrokken te zijn geweest. Voor zover hij zich kan herinneren, zegt hij daarover ook geen contact met [geintimeerde] te hebben gehad. Die verklaring laat ruimte voor de mogelijkheid dat dit contact (telefonisch) wel heeft plaatsgehad, zoals [naam3] heeft verklaard.
Het causale verband
3.11
De rechtbank heeft aangenomen dat [geintimeerde] de wiellader in een afgesloten pand of container zou hebben gestald als [appellant] juist zou hebben geadviseerd, omdat die lader een substantiële waarde vertegenwoordigde. Volgens [appellant] kan die conclusie niet worden getrokken, omdat het binnen opslaan van de wiellader na 2019 niet langer mogelijk was. De enige geschikte opslagruimte op het terrein (de koelruimte) werd vanaf dat moment immers verhuurd. [geintimeerde] heeft volgens [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat zich aan de [adres2] een alternatieve opslagmogelijkheid bevond, en [appellant] acht het niet aannemelijk dat [geintimeerde] de wiellader na elke werkdag naar de [adres1] zou hebben verplaatst, waar wel opslagruimte aanwezig was.
3.12
Het hof volg [appellant] niet in dit verweer. De afstand tussen de [adres2] en het woonadres van [geintimeerde] aan de [adres1] is een paar kilometer. Onbetwist is, dat [geintimeerde] na afloop van de werkdag met een busje van de [adres2] naar huis pleegt te rijden. [geintimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij in het geval hij geweten had dat de wiellader wel binnen moest staan, eenvoudig met de wiellader naar huis had kunnen rijden om hem daar in de opslag te zetten. Het hof acht dat ook aannemelijk, nu niet bestreden is dat [geintimeerde] de wiellader maar sporadisch gebruikte en op zijn thuisadres voldoende stallingsruimte had.
Het beroep op eigen schuld
3.13
Hoewel hem elk jaar polisbladen werden opgestuurd, heeft [geintimeerde] zich na 2015 nooit afgevraagd waarom de clausule nog steeds in de polis stond. Dat had naar de mening van [appellant] wel van hem verwacht mogen worden, in ieder geval na het overlijden van [naam1] , en al helemaal toen het na 2019 niet meer mogelijk was de wiellader binnen te stallen.
3.14
Met deze klacht miskent [appellant] dat de tekst van de clausule aanleiding was voor het stellen van de vraag of dekking ook zou bestaan als de wiellader buiten op een afgesloten terrein zou worden gestald. Het gegeven dat het om polissen ging die in de woorden van [naam2] stilzwijgend werden verlengd, vormt dan juist geen reden om die vraag nogmaals te stellen – niet aan [naam1] , en na diens overlijden ook niet aan zijn broer. Dat er wel reden was voor het opnieuw stellen van deze vraag op het moment dat de feitelijke mogelijkheden van opslag veranderden, volgt het hof evenmin. De mogelijkheid van het stallen van de wiellader buiten, mits op een afgesloten terrein, was daarvoor immers al besproken.
3.15
Vanaf het overlijden van zijn broer lag het juist op de weg van [naam2] om erop te wijzen dat de wiellader niet op het terrein kon blijven staan. Hij heeft het relatiebeheer toen namelijk overgenomen, en heeft als getuige verklaard dat hij zich in die periode in het verzekeringspakket van de familie [geintimeerde] had verdiept. Zo was hij er ook mee bekend dat het landmateriaal was verzekerd. Hij heeft verklaard [geintimeerde] twee keer op locatie te hebben bezocht. In die periode stond de wiellader al permanent buiten, omdat de koelruimte aan de [adres2] vanaf 2019 werd verhuurd. [naam2] verklaart desalniettemin niet met [geintimeerde] te hebben gesproken over de inhoud van de polissen en de vraag of er dekking zou zijn wanneer de wiellader bij diefstal op een afgesloten terrein zou staan. Dit terwijl hij tegelijkertijd aangeeft dat bijzondere clausules worden besproken als dat nodig is. Daarmee erkent hij in wezen te zijn tekortgeschoten in zijn eigen zorgplicht.
De hoogte van de schade
3.16
Bij de schadebepaling is de rechtbank uitgegaan van de waardering van de door [geintimeerde] ingeschakelde deskundige [naam6] (€ 33.500). De toewijzing is vervolgens beperkt tot de maximaal verzekerde som (€ 30.000), na aftrek van het eigen risico (€ 250).
3.17
[appellant] beroept zich op het door haar aangevraagde expertiserapport van DEKRA, waarin de schade wordt begroot op € 22.500. Niet duidelijk is in haar ogen waarom die waardering niet kan worden gevolgd. DEKRA heeft immers bij de bepaling van de dagwaarde terecht ook de reguliere afschrijvingsmethodes toegepast.
3.18
Het hof verwerpt ook dit verweer, omdat de afwijkende berekening door [naam6] juist wel is toegelicht. Het had op de weg van [appellant] gelegen de redenering die [naam6] heeft gevolgd – en die het hof niet onaannemelijk voorkomt – te bestrijden. Dat is echter niet gebeurd.
De conclusie
3.19
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 14 augustus 2024;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep van [geintimeerde] :
€ 827 aan griffierecht
€ 3.142 aan salaris van de advocaat van [geintimeerde] (2 procespunten x appeltarief III);
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door M.W. Zandbergen, M.M.A. Wind en A. Van Hees, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
18 november 2025.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.