ECLI:NL:GHARL:2025:7414

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
200.359.138/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schorsing tenuitvoerlegging verblijfsbeschikkingen in belang van kinderen

Partijen zijn ouders van twee minderjarige kinderen met gezamenlijk gezag. Eerdere beschikkingen bepaalden onder meer de hoofdverblijfplaats van de kinderen en legden een terugverhuisverplichting op aan de vader. De kinderen zijn inmiddels onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst.

De vader verzocht schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de verblijfsbeschikkingen, waarop de voorzieningenrechter dit toewijst. De moeder gaat hiertegen in hoger beroep. Het hof stelt vast dat uitvoering van de beschikking feitelijk onmogelijk is geworden doordat de kinderen in een 24-uursinstelling verblijven en zelf niet willen verhuizen.

Gelet op het belang van de kinderen bij rust en continuïteit in hun huidige situatie, en de gewijzigde omstandigheden, blijft de schorsing van de tenuitvoerlegging in stand. De beschikking blijft wel het uitgangspunt voor toekomstige beslissingen. De proceskosten worden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de verblijfsbeschikkingen en laat de proceskosten ieder voor eigen rekening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
zaaknummer gerechtshof 200.359.138/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 335113)
arrest in spoed kort geding van 18 november 2025
in de zaak van
[appellante],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de voorzieningenrechter optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna:
de moeder,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage,
tegen
[geintimeerde],
die woont op een geheim te houden adres,
en bij de voorzieningenrechter optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie,
hierna:
de vader,
advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn te De Bilt.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle .

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
De moeder is in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de
voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle op 31 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de spoedappeldagvaarding met grieven en conclusie van eis van 28 augustus 2025;
- de memorie van antwoord met bijlagen;
- een brief van de raad van 8 oktober 2025, waarin de raad meedeelt niet ter zitting aanwezig te zullen zijn;
- een brief namens de moeder van 14 oktober 2025 met bijlagen;
- een e-mail van de door het hof als informant aangemerkte gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel (de GI) van 14 oktober 2025, waarin de GI aangeeft niet ter zitting aanwezig te zullen zijn, maar wel een schriftelijke toelichting te zullen geven;
- een brief van de GI van 15 oktober 2025 met bijlage.
1.3
De hierna te noemen minderjarige kinderen van partijen hebben op 13 oktober 2025, afzonderlijk van elkaar, gesproken met een raadsheer van het hof die ook meewerkt aan deze zaak. Van deze gesprekken is op de mondelinge behandeling een samenvatting gegeven.
1.4
De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn
verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de moeder heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hem overgelegde pleitaantekeningen. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

Het gaat in deze zaak om de vraag of de tenuitvoerlegging van de beschikking van dit hof van 7 januari 2025, aangevuld op 17 juni 2025, geschorst moet blijven - zoals in het bestreden vonnis is bepaald - of niet. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zij zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren op 5 maart 2010;
- [minderjarige2] , geboren op 22 november 2011.
De vader heeft de kinderen erkend en partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. Partijen zijn een zorgplan overeengekomen - ondertekend op 8 juli 2021 - waarin onder meer is opgenomen dat de hoofverblijfplaats van [minderjarige1] bij de vader is en van [minderjarige2] bij de moeder is. De vader is op 29 augustus 2022 gehuwd met [naam1] .
3.2
[minderjarige1] en [minderjarige2] zijn bij beschikking van 20 december 2023 van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland onder toezicht gesteld van de GI tot 20 december 2024. De maatregel is op 12 december 2024 verlengd tot 20 december 2025.
3.3
Bij beschikking van 12 februari 2024 heeft de rechtbank Gelderland, voor zover van belang en uitvoerbaar bij voorraad:
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] bij de vader bepaald;
- aan de vader vervangende toestemming verleend om met de kinderen te verhuizen naar de omgeving van [plaats1] .
De vader is voorafgaand aan deze beschikking met de kinderen verhuisd van [woonplaats1] naar [woonplaats2] .
3.4
Bij beschikking van 7 januari 2025 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2024 gedeeltelijk vernietigd en opnieuw beschikkende, voor zover van belang:
- het verzoek van de vader om te bepalen dat [minderjarige2] haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft afgewezen;
- het verzoek van de vader om hem vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar de omgeving van [plaats1] afgewezen;
- bepaald dat de vader uiterlijk op 1 augustus 2025 met de kinderen moet zijn terugverhuisd naar een woning in de omgeving van [woonplaats1] en binnen een straal van 10 kilometer van de in het ouderschapsplan bedoelde school, zulks onder verbeurte aan de moeder van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat de vader in gebreke blijft om aan die verplichting te voldoen, met een maximum van € 150.000,-;
- als zorgregeling een opbouwregeling vastgesteld, eventueel onder regie van de GI, waarbij wordt toegewerkt naar het in het ouderschapsplan genoemde co-ouderschap.
De vader heeft op 7 april 2025 cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking.
3.5
Dit hof heeft bij beschikking van 17 juni 2025 naar aanleiding van een verzoek van 10 april 2025 van de moeder de beschikking van 7 januari 2025 aangevuld en de beschikking van 7 januari 2025 uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.6
De vader heeft bij de voorzieningenrechter in conventie gevorderd de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 7 januari 2025 en de beschikking van (het hof leest:) 17 juni 2025 te schorsen totdat in de cassatieprocedure en eventueel na terugverwijzing naar een ander hof, door dat hof op de voorliggende verzoeken zal zijn beslist en de proceskosten tussen partijen te compenseren.
3.7
De moeder heeft in reconventie gevorderd om de vader, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de werkelijke proceskosten.
3.8
Op 21 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter plaatsgevonden.
3.9
De voorzieningenrechter heeft in het thans bestreden vonnis in conventie -uitvoerbaar bij voorraad - de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van 7 januari 2025 en (het hof leest:) 17 juni 2025 geschorst totdat op het door de vader ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van 7 januari 2025 is beslist dan wel, indien na cassatie verwijzing naar een ander hof volgt, totdat dat hof zal hebben beslist. Het in reconventie gevorderde is afgewezen. De proceskosten in conventie en in reconventie zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.1
De moeder vordert in hoger beroep de vorderingen van de vader in eerste aanleg alsnog af te wijzen en te bepalen dat de vader, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
3.11
De vader voert daartegen verweer en vordert het bestreden vonnis te bekrachtigen en de moeder te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
3.12
De vader is kort na de zitting bij de voorzieningenrechter vanuit [woonplaats2] naar [woonplaats3] verhuisd. Hij woont daar in bij zijn moeder. De relatie met zijn echtgenote is verbroken. De woning van de vader in [woonplaats2] is verkocht.
3.13
Bij beschikking van 3 september 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie [plaats1] , de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 20 december 2025. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In deze procedure heeft de moeder van haar kant onder meer verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen. De rechtbank heeft de behandeling van deze verzoeken van de moeder aangehouden tot de zitting van 24 november 2025.

4.Het oordeel van het hof

Het spoedeisend belang
4.1
Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft [1] . Dat is naar het oordeel van het hof het geval. De vader moest op grond van de beschikking van dit hof van 7 januari 2025 op straffe van een dwangsom vóór 1 augustus 2025 met de kinderen terugverhuizen naar [woonplaats1] of omgeving, terwijl de kinderen inmiddels uit huis zijn geplaatst. Het is voor de vader op dit moment niet mogelijk nog uitvoering te geven aan die beslissing en daarmee heeft hij een spoedeisend belang bij de verlangde schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van die beschikking.
Uitvoerbaarheid bij voorraad blijft geschorst
4.2
De tenuitvoerlegging van de beschikkingen van het hof van 7 januari 2025 en 17 juni 2025 kan worden geschorst als het belang van de vader bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij executie van die beschikkingen. Als blijkt dat de beschikkingen op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berusten, kan dit in de belangenafweging worden betrokken. Ook kan de uitvoerbaarheid bij voorraad worden geschorst als zich na de beschikking waarvan schorsing wordt verzocht nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [2]
4.3
Naar het oordeel van het hof doet dat laatste zich hier voor. Vast staat dat de in de beschikking van het hof van 7 januari 2025 genoemde datum van 1 augustus 2025 inmiddels is verstreken en dat de kinderen met een machtiging van de kinderrechter uit huis zijn geplaatst in een 24-uursinstelling van Yorneo in [plaats2] . Zoals hiervoor is overwogen, is het daardoor voor de vader onmogelijk geworden om nog uitvoering te geven aan die beschikking van het hof; hij kan niet met de kinderen verhuizen. Daarnaast hebben beide kinderen aangegeven op dit moment niet bij een van de ouders te willen wonen en niet te willen verhuizen. Zij willen vanuit de rust van hun huidige woonplek in [plaats2] nadenken over hun toekomst. Ook is er sprake van contactherstel met de moeder. Gezien alle gewijzigde omstandigheden dient er vanuit rust en niet vanuit dwang beoordeeld te worden welke (toekomstige) verblijfs- en contactregeling in het belang van de kinderen is. De feitelijke onmogelijkheid om nog uitvoering te geven aan de beschikking van 7 januari 2025 en daarnaast het belang van de kinderen bij het bestendigen van de huidige situatie brengen met zich dat op dit moment tenuitvoerlegging achterwege moet blijven.
4.4
De moeder heeft nog naar voren gebracht dat zij belang heeft bij de (mogelijkheid van) tenuitvoerlegging van de beschikking van 7 januari 2025 omdat deze een duidelijk uitgangspunt vormt voor het geval de uithuisplaatsing van de kinderen op enig moment eindigt. Dat is van belang voor het overleg met de GI over de regelingen voor de kinderen. Het hof overweegt dat de beschikking van 7 januari 2025 ondanks dat de tenuitvoerlegging daarvan gedurende de cassatieprocedure en eventuele verwijzing na cassatie is geschorst, vooralsnog uitgangspunt is. Het hof betrekt daarbij dat de kinderrechter zich heel binnenkort opnieuw over de kwestie van het hoofdverblijf en eventueel over de verlenging van de jeugdbeschermingsmaatregelen zal buigen in het licht van de inmiddels sterk gewijzigde omstandigheden.
Conclusie
De schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van 7 januari 2025 en 17 juni 2025 moet naar het oordeel van het hof op grond van het vorenstaande in stand blijven en het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.
De proceskosten
Het hof is van oordeel dat de aard van deze zaak maakt dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen, zowel van de procedure in eerste aanleg als van de procedure in hoger beroep.

5.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 31 juli 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. L. van Dijk, mr. A.P. de Jong - de Goede en
mr. K.H.P. Selcraig, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.

Voetnoten

1.HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437
2.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026